Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
11-5716 WMO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker, gelet op zijn verblijfsstatus op grond van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000, kan geen aanspraak maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. Voor de vraag of verzoeker desondanks, gelet op artikel 8 van het EVRM, opvang zou moeten worden geboden, is, blijkens de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2011 (LJN BR5385), van belang of de betrokkene de beschikking had over onderdak. De voorzieningerechter stelt vast dat dit bij verzoeker het geval was. Reeds hierom kan, gelet op de hiervoor genoemde uitspraak, niet aangenomen worden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van betrokkene om wel toegelaten te worden. Het beroep op artikel 8 van het EVRM treft derhalve geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5716 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2011, 11/1223 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker is tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij ontving tot 1 december 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 12 oktober 2010 heeft verzoeker bij het College een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die geschikt is voor zijn medische situatie, aangezien hij HIV-positief is.

1.3. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het College de aanvraag om opvang afgewezen.

1.4. Bij besluit van 25 januari 2011 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2010 ongegrond verklaard. Het College heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat verzoeker, gelet op zijn verblijfsstatus, naar nationaal recht geen toegang heeft tot een voorziening op grond van de Wmo. Volgens het College bestaat er ook geen aanleiding om gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verzoeker opvang te bieden. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 15 april 2010 (LJN BM3583) en 19 april 2010 (LJN BM0956) wordt door de gemeente Amsterdam in crisissituaties, waarin sprake is van dakloosheid van mensen die tot een kwetsbare groep behoren, tijdelijke noodopvang geboden. Omdat verzoeker over huisvesting beschikt, is van een dergelijke crisissituatie volgens het College geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 25 januari 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat vaststaat dat verzoeker niet beschikt over rechtmatig verblijf op één van de gronden als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waardoor verzoeker op grond van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. Verder stelt de rechtbank vast dat verzoeker de beschikking heeft over huisvesting in de vorm van een gehuurde kamer bij een vriend en voor de kosten van huur en levensonderhoud een bijdrage krijgt van het Aidsfonds. Gelet hierop kan de afwijzing op het verzoek om opvang te bieden niet aangemerkt worden als een schending van artikel 8 van het EVRM.

3. Verzoeker heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens verzoeker is hij, vanwege zijn HIV-infectie, een kwetsbaar persoon en is de Staat in het licht van artikel 8 van het EVRM verplicht hem te helpen, waarbij voor de interpretatie van het recht op privéleven volgens hem aansluiting moet worden gezocht bij de consensus op internationaal en Europees niveau, gecodificeerd in de Terugkeerrichtlijn. Dit houdt volgens verzoeker in dat mensen die moeten terugkeren tot ze zijn vertrokken een veilige verblijfplek hebben en genoeg geld om te overleven.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

4.3. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.4. Niet in geding is dat verzoeker gelet op zijn verblijfsstatus op grond van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam.

4.5. Voor de vraag of verzoeker desondanks, gelet op artikel 8 van het EVRM, opvang zou moeten worden geboden, is, blijkens de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2011 (LJN BR5385), van belang of de betrokkene ten tijde in geding de beschikking had over onderdak. De voorzieningerechter stelt vast dat dit bij verzoeker het geval was. Reeds hierom kan, gelet op de hiervoor genoemde uitspraak, niet aangenomen worden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van betrokkene om wel toegelaten te worden. Het beroep op artikel 8 van het EVRM treft derhalve geen doel.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen acht de voorzieningenrechter het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

HD