Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
08-3741 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Met het besluit van 26 april 2011 is volledig tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3741 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 juni 2008, 06/1272 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Jacobs, werkzaam bij Stichting Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2010. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. A. Bijlsma. Het Uwv is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 18 maart 2011, LJN BP8464, heeft het Uwv op 26 april 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij brief van 25 mei 2011 is hierop door en namens appellante gereageerd, waarop, desgevraagd, is gereageerd door het Uwv, waarbij tevens een aantal nadere stukken is ingezonden.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 25 mei 2011 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2. Bij besluit van 26 april 2011 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2006 (alsnog) gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante vanaf 6 juni 2006 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd en daarmee recht heeft op een volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het nieuwe besluit is genomen in strijd met de zorgvuldigheid. Blijkbaar is er een nieuwe Functie Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, maar die is niet overgelegd. Hierdoor kan niet worden nagegaan of de arbeidsbeperkingen van appellante zijn vastgesteld in overeenstemming met de rapportages van de door de rechtbank en de Raad ingeschakelde deskundige. Verzocht wordt verder om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Desgevraagd heeft het Uwv de stukken ingezonden waarop het besluit van 26 april 2011 is gebaseerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt vast dat met het besluit van 26 april 2011 volledig is tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellante, zodat het beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad voegt hieraan toe dat de door appellante naar voren gebrachte bezwaren tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 26 april 2011 dit niet anders maken. Een eventuele toekomstige herbeoordeling van haar arbeidsmogelijkheden zal immers dienen te steunen op medisch en arbeidskundig onderzoek dat ziet op de dan relevante datum in geding. Tegen een eventuele afschatting zal appellante alsdan desgewenst rechtsmiddelen kunnen aanwenden, waarbij zij ook de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit bestrijden kan. De Raad merkt verder op dat volgens vaste rechtspraak ook een proceskostenvergoeding geen relevant procesbelang oplevert.

3.2. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten. Voor de verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden deze kosten begroot op € 1.288,--.

De door appellante gemaakte kosten voor de in hoger beroep overgelegde rapportages van de medisch adviseur van 11 juni 2009, 2 juli 2009 en 11 februari 2010 komen ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht eveneens voor vergoeding in aanmerking. De Raad begroot deze kosten op € 2.400,55.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep ter hoogte van, in totaal, € 3.688,55;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. Simon en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) R.L. Rijnen.

NW