Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
11-221 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. De rechtbank heeft voorts afdoende en met juistheid overwogen waarom het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. De uitlooptermijn van twee maanden is conform het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999. Uit de bijlage bij dit Besluit blijkt dat het Uwv slechts in gevallen waarin een verzekerde in het buitenland woont en sprake is van een nader omschreven feitencomplex, een uitlooptermijn van zes maanden hanteert. Eén van de daarbij expliciet genoemde omstandigheden is dat de verzekerde in verband met zijn verblijfsrechtelijke positie niet kan rekenen op voldoende steun van het Uwv bij het vinden van werk. Het Uwv heeft terecht aangenomen dat van een zodanige omstandigheid bij appellant geen sprake is nu hij Nederlander is. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 16 oktober 2008, LJN BG1166.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/221 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Slowakije (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2010, 09/5953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Vahl, advocaat te Barneveld, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 23 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vahl. Het Uwv heeft aangegeven zich ter zitting niet te laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het Uwv deze uitkering ingetrokken met ingang van 15 augustus 2009, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% is.

1.2. Bij besluit van 9 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat er geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de uitkering niet met terugwerkende kracht is ingetrokken en een uitlooptermijn in acht is genomen. De rechtbank heeft er voorts op gewezen dat ook zonder wijziging in de gezondheidstoestand het recht op uitkering kan veranderen. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het medische onderzoek zorgvuldig was. Het Uwv heeft twee expertiserapporten laten opmaken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv niet op die rapporten mocht afgaan. Van de zijde van appellant zijn geen stukken overgelegd die twijfel kunnen doen rijzen aan de conclusies in de expertiserapporten en de medische rapporten van de verzekeringsartsen. Dat de primaire arts geen verzekeringsarts is acht de rechtbank evenmin onzorgvuldig omdat het rapport is ondertekend door een geregistreerde verzekeringsarts. De rechtbank overweegt voorts dat de diagnose OPS niet is bevestigd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste arbeidskundige grondslag berust. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat in de geduide functies geen belasting voorkomt op het punt veelvuldige deadlines of productiepieken.

3. In hoger beroep heeft appellant aangegeven dat zijn klachten niet zijn veranderd. Hij is van mening dat wel degelijk sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, hij kan niet eens een woning vinden in Nederland, laat staan werk. Er is onvoldoende rekening gehouden met de medische rapporten uit het verleden. Appellant kan er niets aan doen dat het onderzoek naar OPS nooit is doorgezet. De rechtbank is te makkelijk heen gestapt over de argumenten van appellant met betrekking tot de arbeidskundige kant van de zaak. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij informatie van Soloplus, RIBW Arnhem en Veluwe vallei, CIZ en een rapport van een psychologisch onderzoek van 20 januari 2011 overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van Soloplus, RIBW Arnhem en Veluwe vallei en CIZ bevat geen medische gegevens en ziet niet op de datum in geding. Ook het psychologische rapport dateert van ruim na de datum in geding. De Raad overweegt voorts dat van een zeer ernstige depressie als beschreven in het psychologische rapport, bij de beoordeling in 2009 door de verzekeringsarts, de bezwaarverzekeringsarts en psychiater W.M.J. Hassing niet is gebleken. De diagnose OPS is (nog steeds) niet gesteld.

4.3. De rechtbank heeft voorts afdoende en met juistheid overwogen waarom het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. De uitlooptermijn van twee maanden is conform het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999. Uit de bijlage bij dit Besluit blijkt dat het Uwv slechts in gevallen waarin een verzekerde in het buitenland woont en sprake is van een nader omschreven feitencomplex, een uitlooptermijn van zes maanden hanteert. Eén van de daarbij expliciet genoemde omstandigheden is dat de verzekerde in verband met zijn verblijfsrechtelijke positie niet kan rekenen op voldoende steun van het Uwv bij het vinden van werk. Het Uwv heeft terecht aangenomen dat van een zodanige omstandigheid bij appellant geen sprake is nu hij Nederlander is. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 16 oktober 2008, LJN BG1166.

4.4. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) K.E. Haan.

TM