Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
10-2067 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de beperkingen. Gelet op de voltooide opleidingen en arbeidsverleden wordt appellante terecht in staat geacht, ondanks het van haar zijde benadrukte benedengemiddeld intelligentieniveau, in reguliere arbeid werkzaam te zijn. Appellante, die een diploma huishoudschool heeft behaald, voldoet aan de opleidingseis van een VMBO-diploma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2067 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 februari 2010, 08/3912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. R.C. Eggink, kantoorgenoot van P.J. Hagemeijer, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door

V.A.R. Kali.

De rechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en ingestemd met het verzoek van het Uwv om een nadere reactie van de bezwaarverzekeringsarts in te mogen dienen.

Het Uwv heeft vervolgens een schrijven van de bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 21 juni 2011 ingezonden.

Beide partijen hebben over en weer nog gereageerd en vervolgens hebben beide partijen de Raad toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 5 november 2005 in verband met psychische klachten uitgevallen voor haar werk als leerling groepsleidster in de verstandelijke gehandicaptenzorg voor 32 uur per week gemiddeld. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat er voor haar met ingang van 3 november 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 30 september 2008, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft aangevoerd dat haar psychische beperkingen zijn onderschat en heeft ter onderbouwing van haar standpunt een rapport ingediend van zenuwarts C.J.F. Kemperman, gedateerd 2 april 2009.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 september 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe onder meer overwogen dat zij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts juist bevonden beperkingen. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in de rapportage van 2 februari 2010, in welk rapport de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd op het rapport van Kemperman, voornoemd. De rechtbank acht mede gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat appellante meer beperkingen heeft dan door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te vervullen, gelet op de door de voor haar vastgestelde functionele mogelijkheden.

2. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de items concentreren en eigen gevoelens uiten, waartoe zij zich beroept op het rapport van Kemperman. Voorts heeft zij ingediend een rapport van GGZ Oost Brabant, opgesteld naar aanleiding van een op 18 mei 2011 verricht psychologisch onderzoek. Uit dit rapport blijkt volgens appellante dat sprake is van zwakbegaafdheid en dat zij relatief veel moeite heeft met verwerkingssnelheid en werkgeheugen. Dit gegeven, in combinatie met haar zeer lage stresstolerantie, maakt dat zij niet kon en kan functioneren op de reguliere arbeidsmarkt. Dit zou voorts ook blijken uit de meegezonden brief van haar behandelende psychiater Van Gaalen van 24 juni 2011. Zij kan de functie van landmeetkundig assistent niet uitoefenen omdat zij geen VMBO-diploma heeft en niet in staat is om interne opleidingen te volgen.

3.1. De Raad is van oordeel dat er geen aanleiding is tot twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals nader toegelicht in de rapportages van 21 juni 2011 en 4 augustus 2011, naar aanleiding van het psychologisch onderzoek van GGZ Oost Brabant van 18 mei 2011 en van de informatie van de behandelende psychiater Van Gaalen van 24 juni 2011. De bezwaarverzekeringsarts heeft uiteengezet dat rekening is gehouden met de spanningsklachten van appellante door in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 1 april 2008 beperkingen op te nemen ten aanzien van veelvuldige deadlines of produktiepieken, conflicthantering en nachtdiensten en voorts door appellante slechts geschikt te achten voor werkzaamheden zonder leidinggevende aspecten, waarbij zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden, waarbij sprake is van een overzichtelijk takenpakket zonder dat geheel voorgestructureerd werk noodzakelijk is. De door appellante ingezonden informatie van Kemperman, huisarts M. de Bresser, de resultaten van psychologisch onderzoek van GGZ Oost Brabant en de brief van psychiater Van Gaalen roepen naar het oordeel van de Raad, gezien evenvermelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, evenmin twijfel op aan de juistheid van de ten aanzien van appellante van toepassing geachte beperkingen. Ook kan de Raad zich stellen achter de reactie van bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen in het rapport van 4 augustus 2011 op de stelling van GGZ Oost Brabant dat appellante ten aanzien van haar IQ op benedengemiddeld niveau functioneert. Mede gelet op de door haar voltooide opleidingen en haar arbeidsverleden wordt appellante terecht in staat geacht, ondanks het van haar zijde benadrukte benedengemiddeld intelligentieniveau, in reguliere arbeid werkzaam te zijn. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke psychiater, zoals verzocht.

3.2. Ten aanzien van de geschiktheid van de voorgehouden functies van landmeetkundige (SBC-code 263010), produktiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en medewerker groen- en terreinverzorging (SBC-code 242040) is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundigen A.M. Beckers en W.W.M. Strijbos bij, achtereenvolgens, rapportages van 26 september 2008 en 2 februari 2010, afdoende hebben gemotiveerd waarom deze functies geschikt te achten zijn voor appellante. Ten aanzien van de functie van landmeetkundig assistent is de Raad voorts van oordeel dat appellante, die een diploma huishoudschool heeft behaald, voldoet aan de opleidingseis van een VMBO-diploma.

3.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.

3.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

TM