Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
10-5117 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Zorgvuldige rapportages. Beperkingen zijn niet onderschat. De omstandigheid dat aan appellant later een IVA-uitkering is toegekend maakt niet dat de toekenning van de WGA-uitkering op een onjuiste beoordeling berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5117 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 augustus 2010, 09/978 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.P. Veldman.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 13 mei 2009. Bij dit besluit heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 10 december 2008, waarbij is vastgesteld dat voor appellant met ingang van 9 januari 2009 recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering.

2. De rechtbank heeft aan de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegd dat hetgeen appellant heeft aangevoerd haar niet tot het oordeel heeft gebracht dat de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages waarop het besluit van

13 mei 2009 steunt op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, dan wel anderszins onjuist zijn. Hiertoe heeft de rechtbank vorenbedoelde rapportages mede aan de hand van de door appellant verstrekte informatie beoordeeld.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar hetgeen door hem reeds eerder in beroep naar voren is gebracht. Appellant blijft - onder verwijzing naar de medische informatie die ook is ingediend bij de rechtbank - van opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat hij recht heeft op een zogenoemde IVA-uitkering. Appellant heeft erop gewezen dat hem per 31 maart 2011 een IVA-uitkering is toegekend.

3.2. Appellant heeft voorts aangevoerd dat ten onrechte ter zitting van de rechtbank geen inhoudelijk debat is gevoerd, nu er van de zijde van de rechtbank geen vragen zijn gesteld.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak de door appellant in beroep ingediende gronden op uitgebreide en inzichtelijke wijze besproken en beoordeeld. De Raad kan zich hierin - ook voor wat betreft de afwijzing van het verzoek appellant te doen onderzoeken door een deskundige - geheel vinden. De omstandigheid dat aan appellant per 31 maart 2011 een IVA-uitkering is toegekend maakt niet dat de toekenning van de in geding zijnde uitkering per 9 januari 2009 op een onjuiste beoordeling van de medische situatie van appellant berust. De Raad wijst erop dat in de aan de toekenning van de IVA-uitkering mede ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage van 24 maart 2011 - onder anamnese - is vermeld dat appellant heeft aangegeven dat zijn klachten na de beslissing van 10 december 2008 zijn verergerd.

4.2. Het standpunt van appellant als weergegeven in 3.2 leidt niet tot succes, reeds omdat van een wettelijke verplichting tot het stellen van vragen of het voeren van een debat geen sprake is. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt overigens dat appellant en het Uwv door de voorzitter in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten naar voren te brengen en dit ook hebben gedaan.

5.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) K.E. Haan.

JL