Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
11-411 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De rechtbank heeft terecht het oordeel van de door haar geraadpleegde deskundige niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/411 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2010, 07/2123 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk voor 36 uur per week werkzaam als apothekersassistente, is op 2 mei 2005 uitgevallen met vermoeidheidsklachten en stemklachten. Zij heeft per 30 april 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In een toelichting bij haar aanvraag is gesteld dat appellante, gelet op haar beperkingen, maximaal 4 x 4 uur per week kan werken.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag is appellante onderzocht door verzekeringsarts P.R.S. Baidjoe, die heeft geconstateerd dat appellante zonder problemen licht werk zou moeten kunnen verrichten. Beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van fysiek zwaar werk, van hectiek en druk. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 maart 2007. Voor een zogenoemde medische urenbeperking heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien. Hiervan uitgaande heeft arbeidsdeskundige P.R. Zwaan met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 30,28%.

1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 6 april 2007 op de aanvraag van appellante beslist en daarbij vastgesteld dat voor appellante geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.4. Bij besluit van 2 november 2007 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 april 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat de FML in de bezwaarfase is gewijzigd, maar dat de nieuwe beoordeling van appellantes belastbaarheid en van de geschiktheid van de aan haar voorgehouden functies onverminderd leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.

2.1. Appellante heeft tegen het besluit van 2 november 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft aangevoerd dat zij, gelet op haar fysieke beperkingen, niet in staat is om meer dan 16 uur per week en meer dan 4 uur per dag te werken.

2.2. De rechtbank heeft aanleiding gezien dr. G.H. Schaap, internist/vasculair geneeskundige, tot deskundige te benoemen, en hem onder meer de vraag voorgelegd of appellante op 30 april 2007 in staat was 40 uur per week te werken. Schaap heeft appellante op 30 september 2008 onderzocht en haar tevens verwezen naar cardioloog dr. J.M.P.G. Ernst en naar longarts A. Schilstra. Deze hebben appellante onderzocht en hun bevindingen aan Schaap gerapporteerd. Op 24 april 2009 heeft Schaap de rechtbank van advies gediend, waarbij hij de onderzoeksresultaten van Ernst en Schilstra in de beantwoording van de vraagstelling van de rechtbank heeft betrokken. Schaap heeft te kennen gegeven dat bij appellante zeer waarschijnlijk sprake is van chronisch obstructief longlijden. Verder heeft hij gesteld dat appellante niet meer dan 16 uur per week kan werken en, met verwijzing naar de ontwikkelingen sinds 30 april 2007, dat 40 uur per week werken onhaalbaar is. De rechtbank heeft het advies van Schaap aan het Uwv gezonden en gevraagd om een reactie. Bezwaarverzekeringsarts E.H. The-Van Leeuwen heeft daarop naar voren gebracht dat de bevindingen van de longarts en de daaraan door Schaap verbonden conclusies niet lijken te passen bij de onderzoeksresultaten van het Uwv met betrekking tot de datum in geding 30 april 2007. Volgens haar was appellante op 30 april 2007 in staat licht werk te verrichten gedurende een volledige werkweek; de door Schaap geschetste ontwikkelingen dateren van na de datum in geding en zijn niet op die datum terug te voeren. Desgevraagd heeft Schaap zijn beantwoording van de vraag over de medische urenbeperking toegelicht. Hij heeft vermeld dat zijn rapportage op dit punt is gebaseerd op de anamnese en zijn subjectieve inschatting. Ook daarop heeft

The-Van Leeuwen gereageerd.

2.3.1. De rechtbank heeft het advies van Schaap niet gevolgd omdat de motivering ervan, ook na de daarop gegeven toelichting, volgens haar te algemeen van aard is en te weinig toegespitst op de gezondheidssituatie van appellante op 30 april 2007. De onderzoeksbevindingen en de daaruit getrokken conclusies passen volgens de rechtbank niet bij laatstgenoemde datum, maar, zoals ook naar voren komt uit de twee reacties van de zijde van het Uwv op het rapport van Schaap, veeleer bij de ontwikkelingen nadien. Dat naderhand de diagnose astma bronchiale is gesteld maakt niet dat op de datum in geding sprake is van meer beperkingen dan door het Uwv aangenomen. Bovendien is van uitval op basis van longklachten geen sprake geweest. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.

2.3.2. In verband met appellantes verzoek om schadevergoeding en het vermoeden dat de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bedoelde redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden, heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend, waarbij de Staat der Nederlanden met toepassing van artikel 8:26 van de Awb als partij in het geding is aangemerkt.

3. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel dat is weergegeven in 2.3.1 bestreden en daarbij haar standpunt gehandhaafd dat zij als gevolg van de vastgestelde beperkingen op de datum in geding maximaal 16 uur per week kon werken. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de rechtbank niet alle beschikbare medische informatie in haar beoordeling van het geschil heeft betrokken en dat zij bij de toetsing van de medische oordelen die wel in de beoordeling zijn betrokken onvoldoende terughoudend is geweest. Appellante meent dat de rechtbank de deskundige had behoren te volgen in diens oordeel over de mate van haar arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft voorts aangevoerd dat op basis van door haar alsnog over te leggen stukken kan worden vastgesteld dat de onderzoeksbevindingen van Schaap wel passen bij de datum in geding. Tot slot heeft zij gesteld dat de aan haar voorgehouden functies geen van alle passend zijn omdat geen rekening is gehouden met een medische urenbeperking.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige wordt gevolgd, tenzij sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel.

4.2.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dergelijke omstandigheden in het onderhavige geval zijn gegeven.

4.2.3. Uit het rapport van Schaap kan niet worden afgeleid dat zijn eigen onderzoeksbevindingen (moeten) leiden tot de conclusie dat appellante op 30 april 2007 niet meer dan 16 uur per week kon werken. Zowel in het rapport als in de op verzoek van de rechtbank daarop gegeven toelichting heeft Schaap vermeld dat hij zijn conclusie trekt op basis van het beeld dat appellante heeft geschetst van haar situatie en mogelijkheden, alsmede op basis van het in april 2009 opgestelde rapport van Schilstra, waarin is vermeld dat in maart 2009 astma bronchiale bij appellante is gediagnosticeerd.

4.2.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de conclusies van Schaap, gelet ook op diens nadere toelichting, voornamelijk zijn gebaseerd op de inschatting door appellante zelf en op de pas in 2009 gestelde diagnose. Daarmee is de rapportage te weinig toegespitst op (objectief vastgestelde beperkingen ten tijde van) de datum in geding, zodat de rechtbank de deskundige niet in zijn oordeel behoefde te volgen.

4.2.5. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat zij twijfelt aan de (uiteindelijk) gestelde diagnose en dat dat de reden is dat de deskundige niet is gevolgd. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van de uitspraak. Het door de rechtbank gegeven oordeel houdt immers niet meer in dan dat in de beschikbare medische informatie geen aanwijzingen kunnen worden gevonden voor de conclusie dat appellante op 30 april 2007 al leed aan de in maart 2009 gediagnosticeerde astma bronchiale en dat er om die reden op 30 april 2007 meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad hebben de reacties van de bezwaarverzekeringsarts van 5 januari 2010 en 26 mei 2010 op de rapporten van Schaap en Schilstra de rechtbank voldoende houvast kunnen bieden een afgewogen oordeel te geven over de door het Uwv gemaakte beoordeling van appellantes arbeidsongeschiktheid op 30 april 2007. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 31 oktober 2007 toereikend heeft gemotiveerd waarom er naast de beperkingen die in de FML zijn weergegeven niet tevens een urenbeperking moet worden aangenomen. De naderhand aan het dossier toegevoegde medische informatie heeft daarin geen verandering gebracht. Dat de klachten zoals appellante die had en dat de daaruit voortvloeiende beperkingen, zoals Schilstra schrijft, (kunnen) voorkomen bij mensen met astma bronchiale, betekent niet dat het Uwv de beperkingen van appellante op 30 april 2007 onjuist heeft vastgesteld en dat een medische urenbeperking aangewezen was. Van een onjuiste weging van de aanwezige medische informatie, dan wel van het niet meewegen van enige relevante informatie is niet gebleken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de medische grondslag van het besluit van 2 november 2007 voor onjuist moet worden gehouden.

4.4. Veel medische gegevens in het dossier, waaronder het uitgebreide huisartsjournaal en de in beroep overgelegde onderzoeksrapportage van dr. T. Wijlhuizen, die als internist is verbonden aan het Vermoeidheid Centrum Nederland B.V., bevestigen het beeld dat appellante al lange tijd kampt met serieuze klachten als gevolg waarvan zij (forse) beperkingen heeft. Ook komt uit deze gegevens naar voren dat appellante zich door deze beperkingen al jaren in een moeilijke positie bevindt en het maakt haar intensieve zoektocht naar de oorzaak van haar klachten begrijpelijk. Het Uwv behoefde echter, gelet op alle beschikbare gegevens, waaronder ook de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 2 augustus 2010 op het rapport van Wijlhuizen, geen aanleiding te zien om ten aanzien van de datum in geding tot een andere beoordeling te komen dan aan het besluit van 2 november 2007 ten grondslag is gelegd.

4.5. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat hem niet is gebleken dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zijn.

4.6. Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over ten onrechte niet uitbetaalde uitkering bestaat, gelet hierop, geen aanleiding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) M.A. van Amerongen

IvR