Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
11-412 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering niet wordt toegekend. Niet voldaan aan de voorwaarde dat appellante niet kan werken als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor haar eerdere WIA-aanvraag is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/412 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2010, 10/480 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in de zaak 11/411 WIA. Hij voegt daaraan het volgende toe.

1.2. Appellante is op 17 februari 2009 uitgevallen met klachten van vermoeidheid en astma. Door middel van een formulier “Melden van verslechterde gezondheid” van 7 juli 2009 heeft zij aan het Uwv verzocht vast te stellen dat er voor haar recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de gevraagde uitkering niet wordt toegekend. Zij voldoet volgens het Uwv namelijk niet aan de voorwaarde dat zij niet kan werken als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor haar eerdere aanvraag ingevolge de Wet WIA is afgewezen.

1.4. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 15 december 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 23 februari 2010 ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft tegen het besluit van 23 februari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft aangevoerd dat haar uitval op 12 februari 2009 is veroorzaakt door dezelfde ziekte als haar uitval op 2 mei 2005. Zij heeft in dit verband gewezen op een rapport dat in haar andere beroepszaak op verzoek van de rechtbank door dr. G.H. Schaap is uitgebracht, op een brief van haar werkgever en op diverse van haar huisarts afkomstige stukken.

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat in de beschikbare gegevens geen toereikende basis te vinden is voor het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de ziekte die ten grondslag lag aan de per 30 april 2007 geweigerde uitkering (lees: de ziekmelding van 2 mei 2005) en de ziekte die ten grondslag lag aan de ziekmelding van 17 februari 2009. De rechtbank heeft overwogen zich te kunnen vinden in de (op het punt van de longklachten uitvoerig gemotiveerde) rapportage van 10 februari 2010 van bezwaarverzekeringsarts K.C. Rammeloo. De rechtbank heeft voor verdere onderbouwing van haar oordeel verwezen naar haar uitspraak van 21 december 2010 in de zaak 07/2123, waarbij de beoordeling van het Uwv met betrekking tot de eerstgenoemde ziekmelding rechtens niet onjuist is bevonden. Appellante heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die met betrekking tot de beoordeling van de tweede ziekmelding door het Uwv aanleiding geven voor twijfel.

3. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden en daarbij haar standpunt gehandhaafd dat haar uitval van 17 februari 2009 voortvloeit uit dezelfde ziekteoorzaak als haar uitval op 2 mei 2005. Zij heeft gesteld dat er sprake is van een consistent zich verder ontwikkelend ziektebeeld dat voortkomt uit eenzelfde ziekteoorzaak.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Bij uitspraak van heden heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank in de zaak 07/2123, voor zover hier van belang, bevestigd. Dat betekent dat het besluit dat er per 30 april 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA de rechterlijke toetsing kan doorstaan. In de aan dat besluit ten grondslag liggende beoordeling zijn de beperkingen ten gevolge van vermoeidheid, stemklachten en de ziekte van Raynaud betrokken. Van beperkingen als gevolg van astma is geen sprake geacht, nu die ziekte ten tijde van belang niet is gediagnosticeerd en deze diagnose, mede blijkens de rapportage van longarts dr. A. Schilstra van 14 mei 2010 en 2 maart 2011, ook niet retrospectief valt vast te stellen. Dat de klachten van appellante, zoals Schilstra meldt, bij de ziekte astma bronchiale (kunnen) passen, maakt dat niet anders.

4.3. Van uitval voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere uitval zou naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval slechts kunnen worden gesproken indien bij de oude uitval sprake zou zijn geweest van beperkingen ten gevolge van astma. Het Uwv heeft uitvoerig en overtuigend gemotiveerd dat daar bij appellante geen sprake van is. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en de door haar getrokken conclusies met betrekking hiertoe en maakt deze tot de zijne. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd – in feite een herhaling van wat er in bezwaar en beroep is gesteld – geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.4. Hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding bestaat, gelet hierop, geen aanleiding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen

CVG