Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
09-3244 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Appellant had de huisraad met een lening van zijn broer al voor zijn aanvraag aangeschaft, zodat sprake was van een aanvraag om bijstand voor de aflossing van een schuld. Geen zeer dringende redenen bijzondere bijstand te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3244 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2009, 08/2048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.C. Lala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2011. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 14 februari 2008 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Bij besluit van 21 februari 2008, gehandhaafd bij besluit van 17 april 2008, heeft het College de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de huisraad met een lening van zijn broer al voor zijn aanvraag om bijstand had aangeschaft, zodat sprake was van een aanvraag om bijstand voor de aflossing van een schuld, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB). Volgens het College zijn er geen zeer dringende redenen om met toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft betoogd dat er, gelet op zijn bij het College bekende psychische problemen en het feit dat hij van de gemeentelijke kredietbank geen lening kon krijgen, zeer dringende redenen zijn om hem bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van de aflossing van de schuld aan zijn broer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is niet gebleken van een verband tussen de psychische problemen van appellant - wat daarvan ook zij - en de noodzaak tot bijstandsverlening ter voldoening van de schuld aan zijn broer. Appellant heeft zijn stelling dat daarvan sprake zou zijn op geen enkele wijze onderbouwd. Het niet verkrijgen van een lening bij de kredietbank kan evenmin worden aangemerkt als een zeer dringende reden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.

4.2. Het voorgaande brengt mee dat het College de aanvraag terecht heeft afgewezen.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) J.N.A. Bootsma,

(get.) M.C. Nijholt.

HD