Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
10/1566 WWB + 10/1569 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een langdurigheidstoeslag. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten in de referteperiode een maatregel is opgelegd in verband met verwijtbaar verlies van arbeidsinkomsten. Het door appellante ingestelde hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is immers gericht tegen de aangevallen uitspraak in een geding waarbij appellante geen partij was, terwijl evenmin is aangevoerd dat de rechtbank appellante ten onrechte niet als partij in het geding in eerste aanleg heeft betrokken. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan had moeten worden afgeweken van de Beleidsregel. De wettelijke systematiek voorziet niet in een separate beoordeling van aanspraken op een langdurigheidstoeslag van gehuwden of daarmee gelijkgestelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1566 WWB

10/1569 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2010, 09/2993 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Voor appellante is verschenen mr. drs. Dielbandhoesing. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 4 februari 2004 is hen met ingang van 5 december 2003 een maatregel opgelegd van de vierde categorie (100% verlaging voor de duur van een maand) wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid omdat appellante door eigen toedoen haar arbeid niet heeft behouden. Na bezwaar is de maatregel van de vierde categorie gehandhaafd, maar is de hoogte van de maatregel lager vastgesteld, en wel op € 593,66 zijnde de omvang van de voorheen genoten maandelijkse inkomsten. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij besluit van 27 november 2008 heeft het College de aanvraag van appellanten van 21 november 2008 voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB voor het jaar 2008 afgewezen. Het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 maart 2009, aangevuld bij besluit van 23 maart 2009, ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten in de referteperiode een maatregel is opgelegd in verband met verwijtbaar verlies van arbeidsinkomsten.

2. Tegen het besluit van 16 maart 2009 is namens appellant bij brief van 24 april 2009 pro forma beroep ingesteld. Bij brief van 26 mei 2009 is namens appellanten een aanvullend beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij, samengevat, aangevoerd dat de maatregel destijds aan appellante is opgelegd, dat appellant dus geen verwijt treft, dat zijn aanspraak op een langdurigheidstoeslag separaat (dat wil zeggen los van de gedragingen en aanspraken van appellante) moet worden bezien, dat de maatregel destijds overigens ten onrechte is opgelegd, en, ten slotte, dat sprake is van bijzondere omstandigheden om van het ter zake van artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB gevoerde beleid af te wijken omdat beiden de afgelopen jaren op medische gronden tijdelijk geheel dan wel gedeeltelijk van arbeidsverplichtingen zijn vrijgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het door appellante ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is. Het hoger beroep is immers gericht tegen de aangevallen uitspraak in een geding waarbij appellante geen partij was, terwijl evenmin is aangevoerd dat de rechtbank appellante ten onrechte niet als partij in het geding in eerste aanleg heeft betrokken.

4.2. Ten aanzien van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB, (tekst tot 1 januari 2009), verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden.

4.2.2. Het College heeft voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in evengenoemde bepaling gestelde voorwaarde een beleidsregel geformuleerd, die - voor zover hier van belang – inhoudt, dat indien in de referteperiode een maatregel is opgelegd in verband met het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van arbeid, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag. De Raad heeft al meermalen overwogen dat met een dergelijk beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling wordt getreden (zie onder meer de uitspraak van 13 juli 2010, LJN BN2176).

4.2.3. Tussen partijen is niet in geding dat de destijds door het College opgelegde maatregel valt binnen de in aanmerking te nemen referteperiode. Appellant meent evenwel dat deze aan appellante opgelegde maatregel hem in het kader van de langdurigheidstoeslag niet kan worden tegengeworpen. De Raad kan appellant daarin niet volgen. Allereerst ontvingen appellanten ten tijde van het opleggen van de bewuste maatregel tezamen bijstand naar de gehuwdennorm en is díe bijstand destijds tijdelijk verlaagd. Het betreffende maatregelbesluit is overigens in rechte onaantastbaar geworden, zodat (de duur en de hoogte van) die maatregel thans niet meer ter discussie kan worden gesteld. Los daarvan heeft de Raad een en andermaal bepaald dat in geval van op de peildatum gehuwde aanvragers van een langdurigheidstoeslag, beiden aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een langdurigheidstoeslag moeten voldoen (zie onder meer de uitspraak van 8 juni 2007, LJN BA8344). Dit betekent onder meer dat een maatregel opgelegd in de referteperiode wegens een gedraging van de een ook aan de ander wordt toegerekend. De Raad voegt hieraan nog toe dat de wettelijke systematiek niet voorziet in een separate beoordeling van aanspraken op een langdurigheidstoeslag van gehuwden of daarmee gelijkgestelden, zoals door appellant is bepleit.

4.2.4. De Raad kan appellant evenmin volgen in de opvatting dat het College op grond van andere bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de onder 4.2.2 aangehaalde beleidsregel. Niet valt in te zien waarom tijdelijke gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van een of beide gehuwde partners tijdens de in aanmerking te nemen referteperiode in de weg zouden (moeten) staan aan toepassing van deze beleidsregel. Het door appellant nog gedane beroep op de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2007, LJN BB6417, faalt. In die zaak werd een maatregel opgelegd wegens te late terugkeer uit het buitenland van iemand die langdurig geheel was vrijgesteld van arbeidsverplichtingen en waarbij het langere verblijf in het buitenland haar lopende scholing noch haar kansen op de arbeidsmarkt concreet had belemmerd. In de onderhavige zaak is daarentegen sprake van een maatregel die juist wel concreet en direct van doen heeft met de opstelling van een betrokkene op de arbeidsmarkt, te weten het door eigen toedoen niet behouden van arbeid. Overigens kan, anders dan appellant meent, het feit dat de maatregel het gevolg was van een aan appellante verwijtbaar gestelde gedraging evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het College ertoe had moeten brengen om ten gunste van appellant van het onder 4.2.2 aangeduide beleid af te wijken. De Raad volstaat wat dat laatste betreft met verwijzing naar hetgeen onder 4.2.3 is overwogen.

4.2.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

IJ