Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
10/1913 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding, aangezien appellant en [B.] in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt en hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Appellant heeft zijn stelling dat “zwervend was” en op verschillende plaatsen heeft geslapen niet met verifieerbare en controleerbare stukken onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1913 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2010, 09/1789 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. den Arend, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 maart 2011 heeft mr. Den Arend de Raad laten weten niet langer meer voor appellant op te treden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het College de aan appellant verleende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voert met [B.] (hierna: [B.]) op het adres [adres 1] te [gemeente]. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Appellant heeft zich op 24 februari 2009 bij het Centrum voor Werk en Inkomen gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand. Appellant heeft op zijn aanvraagformulier opgegeven te wonen op het adres [adres 1]. Op dit adres staat ook nog steeds [B.] ingeschreven. Op 19 maart 2009 heeft een huisbezoek op het adres [adres 1] plaatsgevonden. Het College heeft in de opgave van appellant omtrent zijn verblijfadres en in de bevindingen van het huisbezoek aanleiding gevonden om bij besluit van 25 maart 2009 de aanvraag van appellant af te wijzen.

1.4. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 maart 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [B.]. Naar het oordeel van het College is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding, aangezien appellant en [B.] in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt en hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Het College heeft voorts geen aanleiding gezien het verzoek van appellant te honoreren om hem alsnog voor een uitkering op grond van de zogeheten Adreslozenregeling in aanmerking te laten komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 mei 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunten herhaald, die - samengevat - op het volgende neerkomen. Nu het College ten aanzien van appellant een belastend besluit heeft genomen dienen strikte eisen aan het bewijs te worden gesteld. Appellant stelt dat hij steeds heeft opgegeven dat het adres [adres 1] slechts een contactadres was en het College heeft dan ook ten onrechte nagelaten een onderzoek te verrichten naar zijn feitelijke verblijfadres. Voorts heeft het College nagelaten ambtshalve na te gaan of appellant in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge de Adreslozenregeling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand de periode bestrijkt vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 24 februari 2009 tot en met 25 maart 2009.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte. Ingevolge het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

4.3. De Raad stelt vast dat het College toepassing heeft gegeven aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, en derde lid, van de WWB. De Raad stelt vervolgens vast dat de onderhavige aanvraag van bijstand, die heeft geleid tot het besluit van 25 maart 2009, is gelegen binnen de periode van twee jaar volgend op het - voor de verlening van bijstand - aanmerken van appellant als gehuwde. Dit betekent dat het College en de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode in geding sprake is van een gezamenlijke huishouding terecht bepalend hebben geacht of appellant en [B.] hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning.

4.4. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een correcte toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. Anders dan appellant aanvoert en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 juli 2010, LJN BN2458, stelt de Raad vast dat een beslissing op een aanvraag een begunstigend besluit is. In geval van een aanvraag ligt het dan ook op de weg van de aanvrager zelf de nodige duidelijkheid te verschaffen.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant en [B.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan het feit dat appellant op zijn aanvraagformulier zonder nadere toelichting heeft opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] en ook - zoals uit de gedingstukken blijkt - op dit adres gedurende de periode van 24 februari 2009 tot 15 april 2009 bij de Gemeentelijke Basisadministratie stond ingeschreven. Voorts heeft appellant zijn enige bezit, een koffer, bij [B.] opgeslagen en erkend dat hij onder meer bij [B.] heeft overnacht. Appellant heeft zijn stelling dat hij in de van belang zijnde periode “zwervend was” en op verschillende plaatsen heeft geslapen niet met verifieerbare en controleerbare stukken onderbouwd.

4.6. Nu uit het vorenstaande volgt dat appellant ten tijde hier van belang met [B.] een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WWB kon hij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hieruit volgt dat het College bij besluit van 29 mei 2009 de afwijzing van de aanvraag van appellant naar het oordeel van de Raad terecht heeft gehandhaafd.

4.7. De Raad ziet tot slot met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het College had dienen te beoordelen of appellant in aanmerking kwam voor uitkering op basis van de Adreslozenregeling. Nog daargelaten de vraag of het College hiertoe ambtshalve had dienen over te gaan, bestond er voor het College geen aanleiding de aanvraag van appellant - ook niet in een later stadium - als zodanig op te vatten, aangezien het College ervan uit mocht gaan dat appellant overeenkomstig zijn opgave op het adres [adres 1] zijn hoofdverblijf had.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M. Hillen en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD