Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
10-6703 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Terugvordering voorschot. Geen juiste en volledige informatie verschaft omtrent woonsituatie. Niet aannemelijk gemaakt dat appellante woonachtig was op het door haar opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6703 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 november 2010, 10/848 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.H. Nauta, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nauta. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 26 augustus 2009 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellante als verblijfadres opgegeven [adres 1] te [gemeente].

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. Uit de gegevens van de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) is gebleken dat appellante sinds 26 augustus 2009 ingeschreven staat op het (brief)adres [adres 2] te [gemeente].

1.3. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 14 december 2009 afgewezen en het verstrekte voorschot van € 700,-- teruggevorderd. Het College heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante niet haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 14 april 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 april 2010 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat zij haar hoofdverblijf had bij haar moeder op het adres [adres 1] te [gemeente], maar dat zij zich, omdat dit een seniorenwoning is, niet bij de GBA kon inschrijven op dat adres. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante diverse stukken, waaronder verklaringen van medebewoners van het appartementencomplex [naam complex] te [gemeente], aan de Raad gezonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in een geval van aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 26 augustus 2009 tot en met 14 december 2009.

4.2. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste en volledige informatie verschaft omtrent zijn woonsituatie. Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellante terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze woonachtig was op het door haar opgegeven adres. De Raad wijst erop dat appellante bij een werkintake op

7 september 2009 heeft aangegeven dat zij wisselend bij haar moeder en zus verblijft en geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft. Verder heeft de zus van appellante op de Toestemmings-verklaring briefadres van 15 september 2009 vermeld dat appellante tijdelijk op diverse adressen verblijft en heeft de moeder van appellante in een schrijven, dat op 9 november 2009 door het College is ontvangen, gesteld dat appellante niet bij haar in huis woont. De verklaringen die appellante in hoger beroep heeft overgelegd bieden de Raad onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen, aangezien deze verklaringen geruime tijd na de te beoordelen periode zijn opgesteld en onvoldoende concreet en gespecificeerd zijn.

4.4. De Raad is van oordeel dat, nu appellante onduidelijkheid heeft geschapen over haar feitelijke woon- of verblijfsplaats en deze onduidelijkheid heeft laten voortbestaan niet kan worden beoordeeld of zij ten tijde van haar aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het College heeft de aanvraag van appellante dan ook terecht afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD