Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
10-6716 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Onvolledige inlichtingen omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekt. Nu appellant de personalia van zijn vriendin niet kenbaar wenst te maken kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Niet aannemelijk dat appellant hier niet over kon beschikken, nu hij elf jaar een relatie had en in een gesprek had aangegeven dat hij de gevraagde gegevens niet kenbaar wilde maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6716 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2010, 10/4016 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.T.A. Slof, advocaat te Groesbeek, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 september 2011 waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 8 april 2010 een aanvraag ingediend om bijstand voor een alleenstaande. Tijdens een met appellant op 19 april 2010 gehouden gesprek over zijn woonsituatie heeft hij verklaard dat alle spullen in zijn woning van hem zijn, maar dat er ook kleding van zijn vriendin [R.] (hierna: [R.]) aanwezig is. Sinds elf jaar hebben appellant en [R.] een relatie. Zij slaapt gemiddeld drie à vier keer per week bij hem maar appellant wil niet met haar samenwonen. Sinds ongeveer februari 2010 heeft [R.] haar woning in Arnhem opgezegd en zij wil in Amsterdam komen wonen. Aansluitend aan dit gesprek is een huisbezoek afgelegd op het adres van appellant, waarbij veel dameskleding en -toiletartikelen zijn aangetroffen. Op 20 april 2010 heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden en bij brief van 20 april 2010 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 26 april 2010. Daarbij is hem verzocht de personalia, geboortedatum en het burgerservicenummer van zijn vriendin mee te nemen. Tijdens het gesprek op 26 april 2010 heeft appellant aangegeven dat hij de gevraagde gegevens van zijn vriendin niet wil doorgeven. Hij heeft verder verklaard dat er ook kleding van andere vriendinnen in zijn woning ligt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

27 april 2010.

1.2. Het College heeft op basis van deze bevindingen bij besluit van 29 april 2010 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij onvolledige inlichtingen omtrent zijn woon- en leefsituatie heeft verstrekt. Nu hij de personalia van zijn vriendin niet kenbaar wenst te maken kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

27 juli 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat hij niet bekend was met de gegevens van zijn vriendin. Zodra hij over de gegevens beschikte heeft hij deze aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Het feit dat [R.] weigerde om de gegevens eerder te verstrekken kan niet aan hem worden tegengeworpen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de gegevens over [R.] niet van belang zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag om bijstand. Indien het College zijn verklaring in twijfel trok, had het College op andere wijze onderzoek naar een eventuele samenwoning moeten doen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in een geval van een aanvraag om bijstand de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 8 april 2010 tot en met 29 april 2010.

4.2. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. De vraag waar iemand woont, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Bij een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager om hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren en te verifiëren. Indien de belanghebbende niet de nodige duidelijkheid verschaft, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de verklaringen van appellant van 19 april en 26 april 2010 en de bevindingen bij het huisbezoek, de twijfel van het College over de vraag of appellant kon worden aangemerkt als een alleenstaande gerechtvaardigd was. De gegevens van [R.] waren essentieel voor vervolgonderzoek ter verificatie van de verklaringen van appellant over de aard en frequentie van het verblijf van [R.] in zijn woning. Het College beschikte niet over haar gegevens en heeft deze terecht bij appellant opgevraagd. De Raad acht het niet aannemelijk dat appellant hier niet over kon beschikken, nu hij elf jaar een relatie met [R.] had en in het gesprek op 26 april 2010 had aangegeven dat hij de gevraagde gegevens niet kenbaar wilde maken.

4.4. Op grond van hetgeen in 4.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat appellant de gevraagde gegevens over [R.] in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan het College heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand over de periode van 8 april 2010 tot en met 29 april 2010 niet kon worden vastgesteld. Dat appellant op 18 november 2010 het adres van [R.] alsnog bekend heeft gemaakt doet hieraan niet af.

4.5. De wijze waarop het College zich naar aanleiding van de door appellant verstrekte inlichtingen van zijn onderzoeksplicht heeft gekweten kan naar het oordeel van de Raad niet als onzorgvuldig worden aangemerkt.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) M.C. Nijholt.

HD