Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
11-1996 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Uit de relatie zijn kinderen geboren. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Feitelijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1996 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2011, 10/1277 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Kotan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Mevrouw [Y.] (hierna: [Y.]) ontving sinds 7 maart 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Een medewerker van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam heeft na onderzoek in november 2007 voorgesteld een nader onderzoek te laten verrichten omdat zij vermoedde dat [Y.] al jaren met appellant samenwoonde op haar adres [adres 1] in [gemeente]. Het dossier is daartoe overgedragen aan de Afdeling Bijzondere Onderzoeken (ABO) van de gemeente Rotterdam. De ABO heeft de resultaten van haar onderzoek neergelegd in een rapport van 6 maart 2009. In dat rapport is geconcludeerd dat [Y.] vanaf 19 februari 2006, de datum dat zij is ingeschreven op het adres aan de [adres 1], een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en dat zij daarvan, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, geen mededeling heeft gedaan aan het College.

1.2. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het College deze conclusie gevolgd en de bijstand van [Y.] met ingang van 19 februari 2006 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 februari 2006 tot en met 29 (lees: 28) februari 2009 teruggevorderd. Ook is de aan [Y.] toegekende bijzondere bijstand over de maand april 2007 teruggevorderd. De terugvordering bedraagt in totaal € 40.500,46. Bij het besluit van 10 maart 2009 zijn zowel [Y.] als appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van dit bedrag. Bij besluit van 1 maart 2010 heeft het College het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 maart 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, waarbij hij, kort samengevat, heeft aangevoerd dat hij sinds 2005 op het adres [adres 2] in [gemeente] verblijft en dus niet samenwoont met [Y.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geding is dat appellant de vader is van de drie kinderen van [Y.], die zijn geboren op respectievelijk [datum]1996, [datum] 1998 en [datum]2001. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding bepalend is of [Y.] en appellant gedurende de periode van 19 februari 2006 tot en met 28 februari 2009 (hierna: de periode in geding) hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Omdat zij samen kinderen hebben is niet van belang of ook sprake is van wederzijdse zorg.

4.2. Appellant was sinds 4 mei 2005 eigenaar van de woning op het adres [adres 2] te [gemeente]. Hij stond volgens de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) met ingang van 30 juni 2005 op dat adres ingeschreven. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen behoeft naar vaste jurisprudentie van de Raad echter op zichzelf niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan omdat de feitelijke situatie en niet de registratie in de GBA bepalend is.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat alle onderzoeksbevindingen van de ABO tezamen tot de conclusie leiden dat appellant en [Y.] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd zonder dat [Y.] daarvan mededeling heeft gedaan bij het College en dat het College daarom terecht tot intrekking en terugvordering van de bijstand is overgegaan. De rechtbank heeft daarbij terecht gewezen op een verklaring van [B.] (hierna: [B.]) die volgens de GBA vanaf 15 juni 2005 was ingeschreven op het adres [adres 2] in [gemeente], hetzelfde adres waar appellant volgens de GBA stond ingeschreven. [B.] heeft verklaard dat hij vanaf mei 2003 tot 6 juli 2008 op dat adres heeft gewoond en dat appellant daar zelf niet woonde maar, sinds hij die woning had gekocht, alleen elke maand de huur kwam ophalen. Appellant heeft de verklaringen van [B.] niet betwist en evenmin aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 19 februari 2006 op een ander adres dan het adres van [Y.] zijn hoofdverblijf heeft gehad.

Daarnaast kent de Raad betekenis toe aan de door appellant en [Y.] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, waaruit naar voren komt dat appellant sinds februari 2006 het merendeel van de tijd in de woning van [Y.] verbleef, en aan de verklaringen van buren van [Y.] die appellant hebben herkend als hun buurman.

4.4. Appellant heeft in hoger beroep nog aangevoerd verbaasd te zijn dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf in de periode in geding. Volgens hem zijn er genoeg stukken waaruit het tegendeel blijkt. Alleen al het enkele feit dat het College het besluit van

10 maart 2009 heeft gezonden naar het GBA-adres van appellant geeft al aan dat het College ervan uitgaat dat hij daar woont en niet bij [Y.].

4.5. De Raad kan appellant daarin niet volgen. Appellant heeft zijn stelling dat er stukken zijn die op het tegendeel wijzen niet onderbouwd en de Raad heeft dergelijke stukken ook niet aangetroffen in het dossier. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit de enkele toezending van het primaire besluit van 10 maart 2009 aan het GBA-adres van appellant niet kan worden afgeleid dat het College van mening is dat appellant op dit adres in plaats van op het adres van [Y.] zijn hoofdverblijf heeft. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat het College zorgvuldigheidshalve het primaire besluit aan beide adressen heeft gezonden. Daarnaast heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat het primaire besluit dateert van na de periode in geding.

4.6. De stukken die appellant bij brief van 9 september 2011 heeft ingezonden hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De ingezonden uittreksels uit de GBA werpen geen ander licht op de zaak. Zoals de Raad hiervoor onder 4.2 heeft overwogen gaat het bij de beoordeling van het hoofdverblijf om de feitelijke situatie en niet (enkel) om de registratie in de GBA. Met de brieven van een vriend van appellant en van de bewoner van het adres [adres 2] in [gemeente] is niet aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode in geding op het adres [adres 2] heeft gewoond. Die verklaringen bevatten daarvoor te weinig specifieke gegevens en zijn in elk geval niet te rijmen met het gegeven dat appellant volgens de GBA vanaf 24 november 2008 niet meer op dat adres staat ingeschreven, zonder dat bekend is waarheen hij is vertrokken. Daarbij komt dat deze brieven zijn gedateerd op 15 januari 2010 en dat niet is toegelicht waarom zij niet in een eerder stadium van de procedure zijn ingezonden.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD