Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
10-2315 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum WUBO-uitkering en toeslag. Eerdere afgewezen aanvraag is rechtens onaantastbaar. De aanvraag van januari 2009 is het uitgangspunt. Geen bijzondere omstandigheden om terugwerkende kracht te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2315 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad ven Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de -voormalige- Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 maart 2010, kenmerk BZ 9027, JZ/070/2010. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011, waar namens appellante is verschenen mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2004 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van die wet.

1.2. Nadat hierop bij besluit van 7 september 2004 afwijzend was beslist, is na bezwaar bij besluit van 21 januari 2005 aanvaard dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld, te weten directe confrontatie met doodslag of executie, maar is geconcludeerd dat dit niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Verweerder was van oordeel dat de psychische klachten van appellante voornamelijk verband houden met algemene oorlogsomstandigheden en andere gebeurtenissen dan het voornoemde oorlogsgeweld. Verder is hierbij het standpunt ingenomen dat de lichamelijke klachten van appellante, suikerziekte en gewrichtsklachten, niet in verband staan met haar oorlogservaringen, maar duidelijk andere oorzaken hebben. Op deze gronden is geweigerd aan appellante de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een periodieke uitkering of voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer toe te kennen. Tegen het besluit van 21 januari 2005 heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.3. In januari 2009 heeft appellante een hernieuwde aanvraag gedaan, waarbij is aangegeven dat haar knie- en rugklachten zijn verergerd. Bij besluit van 5 maart 2009 is hierop afwijzend beslist. Nadat in bezwaar onder meer een rapport van de psychiater H.E. Sanders van 17 juli 2009 was overgelegd, is door de geneeskundig adviseur alsnog geconcludeerd dat er bij appellante sprake is van een substantiële psychopathologie, in de zin van een PTSS-beeld, berustend op een forse preoccupatie met het traumatische verleden. De geverifieerde calamiteit (het vermoorden van Japanse buren en het op bamboestokken zetten van hun hoofden) neemt hierbij een belangrijke plaats in. Voor de somatische klachten is opnieuw geen causaal verband met de oorlogsomstandigheden aanwezig geacht. Aan appellante is bij het bestreden besluit met ingang van 1 januari 2009 toegekend een toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

2. In beroep is namens appellante aangevoerd dat verweerder met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wubo, de toeslag en voorziening met ingang van een eerdere datum had moeten toekennen, omdat destijds kennelijk fouten zijn gemaakt. Aangevoerd is dat als ingangsdatum moet gelden de eerste van de maand waarin de eerdere aanvraag is gedaan dan wel dat vijf jaar terugwerkende kracht moet worden verleend.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In artikel 40, eerste lid, van de Wubo is - voor zover hier van belang - bepaald dat de uitkering en de toeslag ingaan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend.

4.2. In aanmerking genomen dat het onder 1.2 vermelde besluit van 21 januari 2005 in rechte vaststaat, moet de aan dat besluit ten grondslag liggende aanvraag van februari 2004 als afgedaan worden beschouwd. Dit betekent dat voor de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de Wubo, de aanvraag van januari 2009 het uitgangspunt is.

4.3. Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wubo, is verweerder bevoegd om in het voordeel van de betrokkene af te wijken van het bepaalde in het eerste lid indien, rekening houdend met alle omstandigheden, een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk wordt geacht. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad moet nagaan of verweerder in redelijkheid kon besluiten van deze bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel bij dat besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

4.4. De Raad heeft niet tot een zodanige conclusie kunnen komen. Hierbij wordt overwogen dat, gezien de voorhanden zijnde medische gegevens, sinds de medische beoordeling in 2004 een duidelijke verslechtering is opgetreden in de psychische klachten van appellante. Appellante heeft thans aanzienlijke beperkingen in de dagelijkse activiteiten wegens een gestoord slaappatroon en geringe tot matige beperkingen in concentratie, doorzettingsvermogen en tempo. In 2004 waren er volgens de geneeskundig adviseur G. Kho, arts, geen beperkingen in de dagelijkse activiteiten en evenmin beperkingen in één van de andere van de AMA-schaal afgeleide validiteitspunten. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om appellante te volgen in haar grief dat door deze geneeskundig adviseur destijds beoordelingsfouten zijn gemaakt. Deze arts heeft blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende verslag in een persoonlijk onderhoud op 15 december 2004 juist uitgebreid aan appellante gevraagd naar haar beperkingen door psychische klachten. Overigens maakte appellante bij de aanvraag van januari 2009 alleen melding van verergering van haar knie- en rugklachten. Appellante is in de tussenliggende jaren ook niet behandeld door een psychiater of psychotherapeut. De mededeling van de psychiater H.E. Sanders dat er bij appellante eigenlijk al jarenlang sprake is van een vermijdende karakterpathologie is, gezien het vorenstaande, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.5. Gelet hierop houdt de weigering van verweerder om met toepassing van artikel 40, tweede lid, dan wel artikel 61, derde lid van de Wubo verder terugwerkende kracht te verlenen aan de toekenning van de toeslag en de voorziening in rechte stand.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. de Jong.

CVG