Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
10/1502 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op de bruto WUV-uitkering inclusief toeslagen is in mindering gebracht het bedrag van de AOW/ANW, het Kibbutz-inkomen en de Bituach Leumi (Israëlische oudedagsvoorziening). Verweerder heeft terecht het over 2008 vastgestelde, aan appellante individueel als lid van de kibbutz Tzorah toegerekende inkomen van NIS 3.671,- per maand, zoals vermeld op de schriftelijke verklaring van de Brit Pikuach van 31 maart 2009, op de uitkering van appellante in mindering heeft gebracht. Het gaat bij de vaststelling van de door appellante genoten kibbutz-inkomsten niet om de daadwerkelijk door de kibbutz uitbetaalde bedragen, zodat er voor aftrek van kosten geen plaats is. Nu aangenomen moet worden dat de Bituach Leumi van appellante feitelijk behoort tot het collectieve kibbutz-inkomen, waarvan een deel aan appellante persoonlijk wordt toegerekend, is niet zonder meer in te zien dat van een dubbele korting, zoals door appellante is gesteld, geen sprake is. Zo’n korting is immers in strijd met het vaste beleid, waarbij een fictief aandeel van de betrokkene in het totale collectieve inkomen van de Kibbutz in aanmerking wordt genomen met voorbijgaan aan hetgeen feitelijk door de betrokkene wordt ontvangen. Verweerder heeft uitsluitend gemotiveerd dat het door de Brit Pikuah vastgestelde kibbutz-inkomen als overig inkomen in aanmerking moet worden genomen; verweerder heeft daarbij niet gemotiveerd waarom daarnaast ook nog de Bituach Leumi apart op de uitkering diende te worden gekort. Vernietiging wegens ondeugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1502 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] Israël, (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 27 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 december 2009, kenmerk JZ/U80/2009, BZ 48617 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde E. Neter, terwijl verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellante, geboren in 1936, is met ingang van 1 januari 1973 een periodieke uitkering krachtens artikel 8 van de Wuv toegekend.

1.2. Bij berekeningsbeslising van 31 juli 2009 heeft verweerder de uitkering van appellante voor het jaar 2008 definitief gesteld. Hierbij heeft verweerder op de bruto uitkering inclusief toeslagen in mindering gebracht het bedrag van de AOW/ANW, het Kibbutz-inkomen en de Bituach Leumi (Israëlische oudedagsvoorziening). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.3. Appellante heeft in bezwaar en beroep aangevoerd dat de kibbutz Tzorah, waarvan zij reeds lang lid is, moet worden gezien als een geprivatiseerde kibbutz. Zij ontvangt daarvan geen enkele ondersteuning waarvoor zij niet behoeft te betalen. Van de kibbutz ontvangt zij slechts de Bituach Leumi en een kleine aanvulling daarop. Appellante is van mening dat daarom slechts het bedrag dat haar feitelijk door de kibbutz wordt toegekend, tot april 2008 NIS 3950,- en vanaf april 2008 NIS 4950,- op de periodieke uitkering in mindering dient te worden gebracht. Ook de korting van de Bituach Leumi op haar uitkering acht zij onterecht, omdat deze ook al is begrepen in het pensioeninkomen, dat zij van de kibbutz ontvangt.

1.4. Verweerder staat op het standpunt dat overeenkomstig artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wuv, met de inkomsten uit de kibbutz rekening dient te worden gehouden. Onder kibbutz-inkomen wordt naar vast beleid verstaan het inkomen of het inkomensvoordeel dat, uitgaande van het inkomen dat door de leden van de kibbutz gezamenlijk wordt genoten, aan individuele leden van de kibbutz kan worden toegerekend. Verweerder volgt hierbij de opgave van de Audit Union (Brit Pikuach, de accountant van de kibbutz).

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wuv dienen, naast eventuele arbeidsinkomsten, vermogensinkomsten en AOW-pensioen, de overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde op de uitkering in mindering te worden gebracht.

2.2. De Raad kan appellante niet volgen in haar betoog dat de kibbutz Tzorah in die mate geprivatiseerd is dat uitgegaan dient te worden van het feitelijk individueel aan haar door de kibbutz uitbetaalde inkomen. Ook over het jaar 2008 heeft de accountantsdienst van de kibbutz berekend en opgave gedaan van het inkomen dat, op basis van het gezamenlijk door alle kibbutzleden genoten inkomen, per maand aan een individueel lid van de kibbutz kan worden toegerekend. Voorts is niet gesteld of gebleken dat appellante over het jaar 2008 individueel belastingaangifte heeft gedaan. De Raad is derhalve van oordeel dat verweerder terecht het over 2008 vastgestelde, aan appellante individueel als lid van de kibbutz Tzorah toegerekende inkomen van NIS 3.671,- per maand, zoals vermeld op de schriftelijke verklaring van de Brit Pikuach van 31 maart 2009, op de uitkering van appellante in mindering heeft gebracht.

2.3. De omstandigheid dat de kibbutz appellante voor een aantal verstrekte diensten een bedrag in rekening brengt en dit inhoudt op het aan appellante uit te betalen pensioen maakt dit niet anders. Reeds omdat het bij de vaststelling van de door appellante genoten kibbutz-inkomsten niet gaat om de daadwerkelijk door de kibbutz uitbetaalde bedragen, is er voor aftrek van kosten geen plaats.

2.4. Naast de vermindering van de uitkering met het hiervoor besproken kibbutz-inkomen heeft verweerder op de uitkering tevens in mindering gebracht de Bituach Leumi, een van overheidswege verstrekt ouderdomspensioen. Appellante heeft gesteld dat zij verplicht is dit pensioen af te dragen aan de kibbutz en dat het bedrag dat zij daadwerkelijk van de kibbutz ontvangt bestaat uit een bedrag ter hoogte van de Bituach Leumi en een aanvulling daarop tot een bepaald bedrag aan pensioen, dat de kibbutz uit eigen middelen betaalt. Op dit bedrag worden vervolgens door de kibbutz nog inhoudingen verricht ter zake van diverse kibbutz-diensten, premies, e.d. De juistheid van deze stellingen van appellante wordt door verschillende zich in het dossier bevindende verklaringen bevestigd. De Raad is van oordeel dat, nu aangenomen moet worden dat de Bituach Leumi van appellante feitelijk behoort tot het collectieve kibbutz-inkomen, waarvan een deel aan appellante persoonlijk wordt toegerekend, niet zonder meer is in te zien dat van een dubbele korting, zoals door appellante is gesteld, geen sprake is. Zo’n korting is immers in strijd met het vaste beleid, waarbij een fictief aandeel van de betrokkene in het totale collectieve inkomen van de Kibbutz in aanmerking wordt genomen met voorbijgaan aan hetgeen feitelijk door de betrokkene wordt ontvangen.

2.5. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitsluitend gemotiveerd dat het door de Brit Pikuah vastgestelde kibbutz-inkomen ten bedrage van NIS 3.671,- als overig inkomen in aanmerking moet worden genomen; verweerder heeft daarbij niet gemotiveerd waarom daarnaast ook nog de Bituach Leumi apart op de uitkering diende te worden gekort. De Raad wijst erop dat ook in het door verweerder gehanteerde beleid met betrekking tot kibbutz-inkomsten, zoals neergelegd in punt 19.7. van het WUV-Richtlijnenboek, niets is vastgelegd met betrekking tot de door een uitkeringsgerechtigd lid van een kibbutz ontvangen Bituach Leumi. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering ontbeert, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal op dit onderdeel van het bezwaar van appellante een nieuwe beslissing dienen te nemen.

3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 477,74.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2009;

Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 477,74;

Bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van

€ 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD