Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
10-3184 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging van de bij het eerder genomen besluit aan appellant opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim bestaande uit het tijdens een veegopdracht zonder aanvaardbare reden geruime tijd naast de bestuurder in de aanwezige veegmachine te zitten in plaats van te vegen. Plichtsverzuim dat vergelijkbaar is met het plichtsverzuim waarvoor hij eerder is bestraft met voorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim is appellant toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3184 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2010, 10/314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2011. Appellant is - zoals is aangekondigd - niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. van Vliet, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam in dienst van de gemeente ’s-Gravenhage, sinds

1 september 2006 in de functie van allround medewerker vegen bij het dienstonderdeel Vegen van de dienst Stadsbeheer.

1.2. Bij besluit van 23 oktober 2007 werd appellant wegens plichtsverzuim in de vorm van onrechtmatige afwezigheid gedurende zeven dagen in september 2007 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar, binnen welke termijn appellant geen identiek, vergelijkbaar of ander ernstig plichtsverzuim mocht begaan. Het bezwaar dat appellant tegen dat besluit indiende, is bij besluit van 7 april 2008 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant geen beroep ingesteld, zodat het rechtens onaantastbaar is geworden.

1.3. Na het voornemen daartoe aan appellant kenbaar te hebben gemaakt waarop hij schriftelijk heeft gereageerd, heeft het college bij besluit van 7 mei 2009 appellant met ingang van 10 mei 2009 wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het plichtsverzuim bestond hieruit dat appellant op 24 maart 2009 tijdens een veegopdracht in [naam gemeente] zonder aanvaardbare reden geruime tijd naast de bestuurder in de aanwezige veegmachine had gezeten in plaats van te vegen. Het bezwaar van appellant tegen dat ontslagbesluit is bij besluit van 30 november 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 7 mei 2009 strekt tot tenuitvoerlegging van de bij het besluit van 23 oktober 2007 aan appellant opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag.

3.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578 en TAR 2006, 132) dient bij de toetsing van een dergelijk besluit beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt en bestaat er - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - naast die beoordeling geen plaats meer voor een onevenredigheidstoetsing. Aan de orde is dus de vraag of het college de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij dusdoende in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

3.3. De Raad stelt vast dat appellant zich op 24 maart 2009 tegen de hem bekend te achten bedrijfsinstructies in gedurende ongeveer een uur heeft onttrokken aan het werk dat hem was opgedragen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het werk al klaar was. Het onderzoek dat naar aanleiding van het gedrag van appellant is ingesteld geeft aan die stelling geen steun.

3.4. Dat gedrag van appellant levert naar het oordeel van de Raad plichtsverzuim op dat vergelijkbaar is met het plichtsverzuim waarvoor hij bij het besluit van 23 oktober 2007 is bestraft met voorwaardelijk ontslag. De Raad is niet gebleken dat appellant het plichtsverzuim op 24 maart 2009 niet is toe te rekenen. Dat hij zich wegens lichamelijke klachten voor korte tijd in de veegmachine moest terugtrekken, is de Raad uit de gedingstukken niet gebleken.

3.5. Ook overigens acht de Raad geen gronden aanwezig die ertoe moeten leiden dat de in 3.2 aan de orde gestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord.

3.6. Het voorgaande betekent dat de Raad de aangevallen uitspraak - met verbetering van de gronden - zal bevestigen. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) S. Werensteijn.

KR