Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
10-5033 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WAO-uitkering. Geen sprake van een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellante binnen vijf jaar na de laatste herbeoordeling in 1999 wegens dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor haar destijds een WAO-uitkering is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5033 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2010, 09/1859 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 2 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 22 april 1996 in verband met ziekte uitgevallen voor haar werk als boekettenmaakster. Aan haar is in 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 23 januari 1999 is die uitkering ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Appellante is als taxichauffeur gaan werken, aanvankelijk in loondienst, later als zelfstandige. Op 14 augustus 2000 is zij aangereden. In 2001 is bij appellante een pacemaker geplaatst. In november 2002 is zij gestopt met haar werkzaamheden na een val. Het Uwv heeft de aanvraag van appellante om per 19 november 2003 in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ) afgewezen. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Op 24 januari 2008 heeft appellante zich gewend tot het Uwv en gesteld dat in 2000 ten onrechte geen zogenoemde amberbeoordeling heeft plaatsgevonden. Zij heeft verzocht om haar alsnog, in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellante binnen vijf jaar na de laatste herbeoordeling in 1999 wegens dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor haar destijds een WAO-uitkering is toegekend, zodat voor haar niet de korte wachttijd van vier weken geldt. Bij besluit van

30 juli 2008 is de WAO-aanvraag dan ook afgewezen.

1.4. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 juli 2008. Bij besluit van 17 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het eerder ingenomen standpunt herhaald dat appellante per 14 augustus 2000 ziek is geworden als gevolg van een andere ziekteoorzaak dan de ziekte waarvoor zij in aanmerking werd gebracht voor een WAO-uitkering.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellante in augustus 2000 niet is uitgevallen als gevolg van de zelfde oorzaak als waarvoor zij eerder een WAO-uitkering ontving.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij wel met dezelfde klachten als eerder is uitgevallen en dat die klachten, met name de hartklachten, zijn toegenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vindt, indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschikt-heid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2. Ter zitting is vastgesteld dat de aanvraag van appellante is gericht op het verkrijgen van een WAO-uitkering met ingang van een maand na 14 augustus 2000. Het geding in hoger beroep beperkt zich dan ook tot die datum.

4.3. Allereerst wordt opgemerkt dat in een geval als het onderhavige, waarin meer dan negen jaar na de intrekking van de WAO-uitkering wordt verzocht om toekenning van een WAO-uitkering met een terugwerkende kracht van bijna acht jaar in verband met toename van klachten, het aan de aanvrager is om de medische gegevens aan te dragen die die toename aannemelijk maken en die een dergelijke toekenning kunnen rechtvaardigen. Dat in een geval als het onderhavige, het Uwv niet meer, of niet direct, over alle medische gegevens beschikt die ten grondslag hebben gelegen aan de toekenning van de WAO-uitkering in 1997 brengt op zich niet mee dat de stellingen van appellante ten aanzien van de klachten die aan de toekenning ten grondslag hebben gelegen aannemelijk zijn.

4.4. Uit de rapportages van diverse verzekeringsartsen blijkt dat appellante aanvankelijk voor haar werk is uitgevallen met rugklachten, maar dat later psychische klachten de voornaamste redenen vormden van haar ziekte. Wel waren er op dat moment ook hartklachten en was appellante in overweging gegeven om een pacemaker te laten plaatsen, maar in alle rapportages staat de psychische component op de voorgrond. Slechts in een rapportage van juli 1997 wordt de cardiale stoornis door de verzekeringsarts als diagnose weergegeven. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 17 mei 1999 in het kader van een bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering, wordt nog wel ingegaan op de hartklachten, maar is, onder de erkenning van de realiteit van die klachten, geconcludeerd dat die er niet toe leiden dat de belastbaarheid van appellante verkeerd is ingeschat. In alle overige rapportages wordt onder de diagnose enkel een psychische aandoening genoemd, waarbij diverse diagnoses worden genoemd. Uit de rapportages volgt dan ook dat het de psychische problematiek is geweest die aanleiding was om de WAO-uitkering toe te kennen.

4.5. Appellante heeft niet gesteld dat de psychische klachten ten gevolge van het ongeval in augustus 2000 zijn toegenomen. Ter zitting heeft zij dit nogmaals benadrukt en gesteld dat de hartklachten, ook in de periode voorafgaand aan het auto-ongeval, ernstiger zouden zijn geworden. Dat de hartklachten ernstiger zijn geworden volgt echter niet uit de stukken. Appellante was immers al in 1997 voorgehouden dat zij een pacemaker zou moeten laten plaatsen. Aanvankelijk wenste zij dat niet, maar eerst in februari 2001 is daartoe alsnog overgegaan. Daarmee is echter niet aangetoond dat er sprake was van een toename van de klachten en zeker niet dat die het gevolg waren van het auto-ongeval in augustus 2000.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ