Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
09/4174 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering. De door de Raad geraadpleegde psychiater is tot de conclusie gekomen dat de ernstige vermoeidheidsklachten tot het aannemen van een verminderde duurbelasting moeten leiden. De paniekstoornis met agorafobie is niet verenigbaar is met regelmatige werkzaamheden buitenshuis. Vernietiging wegens ondeugdelijke medische grondslag. De Raad draagt het Uwv op het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4174 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 juli 2009, 08/7849 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft dr. E. van Duijn, psychiater, bij rapport van 14 september 2010 als deskundige van verslag en advies gediend.

Het Uwv heeft bij brief van 19 oktober 2010 een rapport ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 4 oktober 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Voor appellante is mr. De Witte verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In dat verband heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen en heeft hij de deskundige Van Duijn verzocht om een reactie te geven op voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal. De deskundige heeft met een brief van 27 juni 2011 gereageerd. Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als thuishulp voor 20 uur per week toen zij op 29 september 2006 uitviel wegens psychische klachten, nek- , hoofdpijn- en duizeligheidklachten alsmede klachten van het rechterbeen. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 26 september 2008 minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van 22 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Volgens de rechtbank zijn er evenmin aanknopingspunten om het medische oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting van de functies binnen de in de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) neergelegde mogelijkheden van appellante blijft en de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 22 oktober 2008 afdoende heeft gemotiveerd waarom de signaleringen bij de functies geen overschrijdingen opleveren van appellantes belastbaarheid. Volgens de rechtbank was appellante met ingang van 26 september 2008 in staat om de voor haar geselecteerde functies te verrichten waardoor haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt.

3. In hoger beroep heeft appellante - samengevat - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en haar beperkingen. Daartoe heeft zij andermaal gewezen op de door haar in beroep ingebrachte informatie van de huisarts en het rapport van de zenuwarts G.W. de Graaff van 29 november 2008.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In zijn rapport van 14 september 2010 heeft de deskundige Van Duijn als zijn opvatting gegeven dat appellante op 26 september 2008 leed aan een paniekstoornis met agorafobie en aan een dystyme stoornis met laat begin, terwijl niet valt uit te sluiten dat ook sprake was van een somatoforme stoornis of simulatie. Volgens de deskundige heeft de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte het standpunt betrokken dat het thuisblijven van appellante uit angst om te vallen niet als agorafobie geduid mag worden. Bij onderzoek door de deskundige is duidelijk geworden dat het gevreesde vallen bij appellante juist een symptoom is dat onderdeel uitmaakt van de paniekaanval. De niet eerder onderkende en daarmee nog niet behandelde agorafobie brengt naar het oordeel van de deskundige ernstige beperkingen mee, omdat appellante niet meer zonder begeleiding van een vertrouwd persoon met het openbaar vervoer durft te reizen en drukke en onbekende plaatsen zoveel mogelijk vermijdt. De deskundige heeft verder als zijn opvatting gegeven dat de vermoeidheid van appellante grotendeels kan worden toegeschreven aan haar stemmingsstoornis. Hoewel de deskundige met de bezwaarverzekeringsarts van mening is dat de geclaimde ernst van de vermoeidheidsklachten niet past bij de vastgestelde relatief lichte stemmingstoornis, deelt hij niet diens opvatting dat appellante hele dagen kan werken omdat zij in de praktijk van alledag actief is. De deskundige heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vermoeidheid een restsymptoom kan zijn van de beroerte die appellante heeft doorgemaakt en dat ook de angststoornis kan bijdragen aan de klachten die hebben geleid tot haar lage activiteitenniveau. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat de ernstige vermoeidheidsklachten tot het aannemen van een verminderde duurbelasting moeten leiden. De paniekstoornis met agorafobie is niet verenigbaar is met regelmatige werkzaamheden buitenshuis. De angst voor paniekaanvallen, de paniekaanvallen zelf en de agorafobie doen het niet reëel zijn dat appellante functioneert in een voor haar onbekende omgeving tussen voor haar onbekende mensen.

4.2. Met zijn brief van 27 juni 2011 heeft de deskundige Van Duijn gereageerd op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal in zijn rapport van 4 oktober 2010 dat uit de diagnostische conclusies van de deskundige en de beschrijving van het functioneren van appellante ten tijde van zijn onderzoek niet volgt dat appellante op de datum in geding geen enkel arbeidsvermogen had. Volgens de deskundige was de belastbaarheid van appellante op 26 september 2008 mogelijk groter dan ten tijde van zijn onderzoek, maar was ook toen al sprake van een situatie dat appellante ten gevolge van de paniekstoornis niet in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Daarbij heeft de deskundige erop gewezen dat een paniekstoornis een zeer wisselend en onvoorspelbaar verloop heeft en bij appellante gepaard gaat met pathologische sociale vermijding bij een nog wel goed functioneren in de 'veilige' thuissituatie.

4.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De deskundige Van Duijn heeft in zijn rapport gemotiveerd uiteengezet op grond van welke gegevens hij tot zijn conclusie is gekomen. Hij heeft zijn oordeel over de medische situatie van appellante op 26 september 2008 en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid gehandhaafd, ook nadat hij kennis had genomen van het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal op zijn rapport. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in zijn rapport van 4 oktober 2010 met de diagnostische conclusies van de deskundige verenigd en zijn andersluidende oordeel over het arbeidsvermogen van appellante gebaseerd op informatie over haar dagelijkse functioneren. Naar het oordeel van de Raad heeft de deskundige met een beschrijving in zijn rapport van 14 september 2010 van de omstandigheden waaronder appellante kon functioneren, en zijn nadere uiteenzetting in de brief van 27 juni 2011 overtuigend uiteengezet dat het functioneren van appellante in haar thuissituatie geen maat kon zijn voor haar mogelijkheden om in een arbeidssituatie te functioneren.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt het oordeel van de Raad dat de beperkingen van appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid in de FML van 24 juni 2008 niet juist zijn weergegeven. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit geen deugdelijke medische grondslag heeft. Dat besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.5. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de door de Raad in 4.3 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hiertoe dient het Uwv de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage met betrekking tot de vraag of een en ander gevolgen heeft voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, dan wel een nader besluit te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en M. Greebe en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Rijnen.

TM