Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU3193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
02/1266 TW + 04/4873 TW + 04/6119 TW + 08/3595 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking toeslag wegens wonen in Turkije is in strijd met associatierecht EU-Turkije; evenmin mag een afbouw op gelijke wijze als ten aanzien van EU-onderdanen per 1-1-2008. Zie: LJN BU3180.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1266 TW

04/4873 TW

04/6119 TW

08/3595 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: betrokkene)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2002, 01/2776

(hierna: uitspraak 1),

en van

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2004, 03/4406 (hierna: uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 11 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 1.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vragen van de Raad beantwoord en desgevraagd een op 18 augustus 2003 aan betrokkene toegezonden besluit ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2004. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 2.

Het onderzoek ter zitting van dit hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 juni 2007. Het Uwv heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. M. Anema, I. Eijkhout LLB en A. Anandbahadoer. Namens betrokkene is mr. Van Diepen verschenen. Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

Vervolgens heeft de Raad bij verzoek van 1 november 2007 drie prejudiciële vragen voorgelegd aan - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof).

Naar aanleiding van de vraagstelling aan het Hof heeft het Uwv op 11 juni 2008 een nader besluit op bezwaar genomen.

In het geding onder nummer 02/1266 heeft het Uwv de Raad nog een schrijven doen toekomen.

Bij arrest van 26 mei 2011, C-485/07, heeft het Hof de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.

Er heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 17 juni 2011. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.F.M. Mollee, Eijkhout LLB en Anandbahadoer. Nadat het onderzoek was heropend, is het geding wederom ter zitting aan de orde geweest op 9 september 2011. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Mollee, Eijkhout LLB en Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft in Nederland werkzaamheden verricht. Nadat hij arbeidsongeschikt was geworden, is aan hem in 1983 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. In 1988 is hem tevens een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. Betrokkene is met behoud van deze uitkeringen naar Turkije teruggekeerd.

1.2. Bij Wet van 27 mei 1999, Stb. 250, de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU), is met ingang van 1 januari 2000 in de TW artikel 4a opgenomen. In het eerste lid van dit artikel is – kort gezegd – bepaald dat geen recht op toeslag heeft degene die niet in Nederland woont. In de Wet BEU was in artikel XI een overgangsregeling opgenomen, volgens welke de bestaande toeslag vanaf 1 januari 2000 geleidelijk werd afgebouwd. Vanaf 1 januari 2000 werd de gehele uitkering uitbetaald, vanaf 1 januari 2001 twee derden daarvan, vanaf 1 januari 2002 een derde en per 1 januari 2003 werd de uitkering geheel beëindigd.

1.3. Bij besluit van 28 november 2000 heeft het Uwv betrokkene medegedeeld dat zijn toeslag van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 geleidelijk werd afgebouwd. Betrokkenes bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 4 mei 2001 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4. Namens betrokkene is tegen besluit 1 beroep ingesteld. Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkenes bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en betrokkenes bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

1.5. Namens betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 1. Hangende dit hoger beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 14 maart 2003, LJN AF5937, in een aantal (inhoudelijk) soortgelijke gedingen als zijn oordeel gegeven dat de afbouw van de toeslag van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 in strijd was met de exportverplichting neergelegd in artikel 5, eerste lid, van Conventie 118 van de International Labour Organisation (ILO) betreffende gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962 (hierna: ILO-conventie 118).

1.6. Bij besluit van 18 augustus 2003 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv aan betrokkene alsnog vanaf 1 januari 2001 een volledige toeslag toegekend. Bij ditzelfde besluit is de toeslag op grond van artikel 4a van de TW met ingang van 1 juli 2003 beëindigd.

1.7. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 augustus 2003. Dit bezwaar is door het Uwv bij besluit van 23 oktober 2003 (besluit 3) ongegrond verklaard.

1.9. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen besluit 3. Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, besluit 3 vernietigd en besluit 2 herroepen voor zover daarbij de toeslag per 1 juli 2003 is beëindigd, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

1.10. Bij het onder I genoemde besluit van 11 juni 2008 (hierna: besluit 4) heeft het Uwv betrokkene medegedeeld dat vanaf 1 juli 2003 de volledige toeslag wordt toegekend, vanaf 23 mei 2004 twee derden daarvan, vanaf 23 mei 2005 een derde en dat de toeslag per 23 mei 2006 wordt beëindigd.

2. De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende.

2.1. Hangende het hoger beroep van betrokkene, waarin de vernietiging door de rechtbank van het besluit 1 centraal staat, heeft het Uwv de besluiten 2 en 4 genomen. Nu bij deze besluiten wijziging is gebracht in besluit 1 en met de besluiten 2 en 4 niet aan de bezwaren van betrokkene tegemoet is gekomen, maken deze besluiten op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deel uit van dit geding in hoger beroep.

2.2. Nu tussen partijen nog slechts de beëindiging van de toeslag in geschil is zoals deze is neergelegd in besluit 4, heeft betrokkene geen belang meer heeft bij zijn hoger beroep, waarin de beoordeling door de rechtbank van besluit 1 centraal staat. De Raad zal het hoger beroep tegen uitspraak 1 derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

2.3. Nu besluit 2 tot het geding bij de Raad behoort, was het Uwv niet bevoegd een besluit op het bezwaar tegen besluit 2 te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Zij heeft besluit 3 weliswaar terecht vernietigd, doch niet op de juiste gronden. De rechtbank was voorts niet bevoegd besluit 2 te herroepen. De Raad zal derhalve uitspraak 2 vernietigen voor zover daarbij besluit 2 is herroepen en die uitspraak voor het overige bevestigen.

2.4. Nu besluit 2 inmiddels is vervangen door besluit 4 en betrokkene geen belang meer heeft bij een beoordeling van besluit 2, zal de Raad het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaren.

3. De Raad komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van besluit 4.

3.1. De toeslag die wordt verstrekt in aanvulling op een WAO-uitkering moet worden aangemerkt als een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, eerste lid, onder a, van Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (hierna: Besluit 3/80), en valt als zodanig onder de materiële werkingssfeer van dat besluit.

3.2. Op de eerste door de Raad voorgelegde prejudiciële vraag heeft het Hof geantwoord dat artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aldus moet worden uitgelegd dat het rechtstreeks toepasselijk is, zodat de Turkse onderdanen op wie deze bepaling van toepassing is het recht hebben zich er voor de rechterlijke instanties van de lidstaten rechtstreeks op te beroepen, om ervoor te zorgen dat hiermee strijdige internrechtelijke regels buiten toepassing worden gelaten. Hieruit volgt dat de toeslag van betrokkene niet met ingang van 1 juli 2003 wegens het wonen in Turkije kan worden beëindigd.

3.3. Het Uwv heeft erop gewezen dat met ingang van 1 januari 2008 een verschil zou ontstaan tussen Turkse onderdanen in Turkije en EU-onderdanen die naar hun land van herkomst zijn teruggekeerd. De toeslagen van eerstgenoemden mogen immers op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 in Turkije worden behouden, terwijl na de plaatsing van de Toeslagenwet op Bijlage IIbis van Vo. 1408/71 geen verplichting tot export van toeslagen op grond van die wet meer bestaat binnen de EU. Turkse onderdanen zouden aldus vanaf 1 januari 2008 gunstiger worden behandeld dan EU-onderdanen, wat in strijd is met artikel 59 van het op 23 november 1970 ondertekende Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst. (hierna: Aanvullend Protocol). Dit geldt evenwel niet voor die gevallen waarin voor 1 juni 1992 een toeslag is toegekend, nu ook EU-onderdanen in die situatie de toeslag behouden.

3.4. Zoals onder 1.1 is vastgesteld, is aan betrokkene in 1988 een toeslag toegekend. Uit het vorenstaande vloeit derhalve voort dat het Uwv de aan betrokkene toegekende toeslag onverminderd dient te betalen, zo lang betrokkene althans aan de voorwaarden daarvoor voldoet.

3.5. Het onder 3.1 tot en met 3.4 overwogene leidt tot het oordeel dat besluit 4 dient te worden vernietigd voor zover daarbij de uitkering (gefaseerd) is beëindigd.

4.1. Namens betrokkene is gewezen op de lange duur van de procedure. Betrokkene heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 6 van het EVRM en heeft de Raad verzocht om hem een schadevergoeding toe te kennen.

4.2. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.3. De procedure is aangevangen met het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij aan betrokkene werd medegedeeld dat de toeslag per 1 januari 2000 (gefaseerd) werd ingetrokken. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift van betrokkene in januari 2001 tot de datum van deze uitspraak is tien jaar en ruim negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim drie maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 13 juni 2001 tot uitspraak 1 op 11 januari 2002 bijna zeven maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 25 februari 2002 tot deze uitspraak op 11 november 2011 negen jaar en ruim acht maanden geduurd. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de procedure bij het Hof bij de beoordeling van de duur van de procedure buiten aanmerking dient te worden gelaten, kan aan deze vaststelling het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

4.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de Raad. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

5. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met de hoger beroepen heeft moeten maken. Deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende Bijlage, waarbij rekening moet worden gehouden met de proceshandelingen in de nationale procedure en de procedure bij het Hof. De Raad merkt de onderhavige zaken aan als zeer zwaar, zodat het gewicht van de zaken op 2 wordt gesteld. De door het Uwv te vergoeden kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden aldus begroot op een bedrag van € 1.610,– .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van betrokkene tegen de uitspraak van 11 januari 2002 niet-ontvankelijk;

Vernietigt de uitspraak van 23 augustus 2004 voor zover daarbij het besluit van 18 augustus 2003 is herroepen en bevestigt die uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2003 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juni 2008 gegrond voorzover bij dat besluit de toeslag vanaf 23 mei 2004 is afgebouwd en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 11/5974 BESLU, 11/5975 BESLU, 11/5976 BESLU en 11/5977 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.610,–, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 82,– vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) H.L. Schoor.

KR