Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10/5199 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De door appellante subjectief ervaren klachten en beperkingen kunnen niet worden aanvaard als een toereikende grondslag om de juistheid van de voor haar vastgestelde belastbaarheid in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5199 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 augustus 2010, 09/1633 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 9 september 2011, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich op 14 augustus 2000 ziek gemeld voor haar werk als parttime directiesecretaresse met klachten van algehele malaise en vermoeidheid.

1.2. Het op bezwaar genomen besluit van 6 september 2002, waarbij het Uwv had gehandhaafd zijn besluit van 11 juli 2001 tot weigering aan appellante met ingang van

13 augustus 2001 van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), is bij uitspraak van de Raad van

10 januari 2007 (LJN AZ5927) vernietigd. De Raad was van oordeel dat de conclusies van de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde zenuwarts-psychiater W. Eland dienden te worden gevolgd. Deze deskundige had in zijn rapport van 24 januari 2004 bij appellante de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis gesteld en toegelicht dat bij haar sprake is van een zodanig ernstige neurotische persoonlijkheidsproblematiek dat daaruit een stoornis is ontstaan die is te kwalificeren als ziekte of gebrek in de zin van de WAO en leidt tot beperkingen bij het verrichten van arbeid.

1.3. Het Uwv heeft op basis van de bevindingen en conclusies van Eland beperkingen voor appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

20 juni 2007 en na arbeidskundig onderzoek de mate van haar arbeidsongeschiktheid in eerste instantie bepaald op 15 tot 25%. Tijdens een tegen het hierop betrekking hebbende besluit van 28 januari 2008 ingestelde beroepsprocedure heeft het Uwv - bij besluit van

7 mei 2010 - op arbeidskundige gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante alsnog bepaald op 80 tot 100% en aan appellante met ingang van

13 augustus 2001 een WAO-uitkering, gebaseerd op laatstgenoemde klasse, toegekend.

2.1. Bij besluit van 18 november 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 19 januari 2009 ingetrokken, op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

2.2. Bij besluit van 6 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond verklaard.

2.3. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van respectievelijk 27 oktober 2008 en

2 april 2009, komt naar voren dat naar het oordeel van die verzekeringsartsen de gezondheidssituatie en de belastbaarheid van appellante niet in relevante mate zijn gewijzigd ten opzichte van de situatie bij einde wachttijd op 13 augustus 2001, in verband waarmee voor haar nog dezelfde beperkingen vallen aan te geven als vastgelegd in de FML van 20 juni 2007. Zoals kan worden ontleend aan het arbeidskundig rapport van

14 november 2008, kan appellante naar arbeidskundig oordeel, gegeven de voor haar van toepassing te achten beperkingen, met verschillende loondienstfuncties nog een zodanig inkomen verwerven dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid uitkomt op minder dan 15%.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.2. Op grond van de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. De rechtbank heeft in hetgeen appellante heeft gesteld en overgelegd - het gaat bij dit laatste in het bijzonder om een rapportage van 17 september 2009 van een behandelend psycholoog - geen aanleiding gevonden de voor haar vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. De rechtbank onderschrijft daarbij het standpunt van het Uwv, zoals dat naar voren komt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 november 2009, dat de conclusie van de psycholoog dat appellante “in theorie voldoende belastbaar is in psychisch opzicht” niet duidt op volledige arbeidsongeschiktheid, zoals appellante claimt. Tevens stelt de rechtbank zich achter het standpunt van het Uwv dat de bevindingen van de psycholoog evenmin nopen tot het aannemen van de door appellante bepleite urenbeperking. Ten slotte heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank (ook) de gestelde toename van lichamelijke beperkingen niet met verifieerbare, objectief-medische gegevens onderbouwd.

3.3. Met de vastgestelde beperkingen is appellante volgens de rechtbank terecht in staat geacht tot het vervullen van de bij de schatting voor haar als passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.

4. In hoger beroep wijst appellante andermaal erop dat bij haar onder meer de diagnoses chronisch vermoeidheidssyndroom, ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een ernstige neurotische persoonlijkheidsproblematiek zijn gesteld. Zij houdt staande dat zij als gevolg van het geheel van haar aandoeningen zodanige fysieke, psychische, cognitieve en energetische klachten en beperkingen ondervindt, dat zij op en na de datum in geding niet in staat is te achten tot het duurzaam en voltijds verrichten van arbeid. Zij acht zichzelf onveranderd volledig arbeidsongeschikt. Zij meent zich hierin gesteund door de rapportage van 17 september 2009 van haar behandelend psycholoog

F.S. de Jong.

5.1. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is voor de Raad geen grond gelegen om te komen tot een andersluidend oordeel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante in hoger beroep geen nadere medische gegevens in het geding heeft gebracht die zouden kunnen dienen tot onderbouwing van haar eigen opvatting inzake de ernst van haar gezondheidssituatie ten tijde hier van belang en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen bij het verrichten van arbeid. Met betrekking tot het herhaalde beroep van appellante op de rapportage van

17 september 2009 van haar behandelend psycholoog, sluit de Raad zich eveneens aan bij hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

5.2. De Raad merkt nog op dat in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals dat naar vaste rechtspraak dient te worden uitgelegd, de door appellante subjectief ervaren klachten en beperkingen niet kunnen worden aanvaard als een toereikende grondslag om de juistheid van de voor haar vastgestelde belastbaarheid in twijfel te trekken.

5.3. Ten slotte overweegt de Raad dat, aldus ervan uitgaande dat de belastbaarheid van appellante door de verzekeringsartsen van het Uwv niet is overschat, geen aanknopingspunten bestaan om de bij de schatting gebruikte functies niet haalbaar te achten voor appellante. Gesteld noch gebleken is dat de aan die functies verbonden belasting de voor appellante vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.

5.4. Gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en

J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I.J. Penning.

TM