Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10/3358 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3358 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 mei 2010, 09/712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Vaessen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2011, waar appellant is verschenen bijgestaan door

mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.L. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk productiemedewerker geweest. Op 5 oktober 2007 heeft appellant zich, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens maag- en darmklachten. Als gevolg van deze ziekmelding is appellant op 15 december 2008 op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts B.E.M. Bolhaar, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat appellant geschikt moet worden geacht voor zijn maatgevende arbeid van productiemedewerker. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 15 december 2008 meegedeeld dat hij met ingang van 22 december 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

2.1. In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij als gevolg van zijn rug- en maagklachten nog steeds pijn heeft en dat hij nog veel medicijnen slikt. Hij acht zich dan ook niet in staat om weer te gaan werken.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker, die appellant eveneens heeft gezien op haar spreekuur, heeft in haar rapport van 27 januari 2009 te kennen gegeven dat zij, anders dan de verzekeringsarts, de maagklachten wel objectiveerbaar acht. Desondanks is zij met de verzekeringsarts van mening dat appellant geschikt moet worden geacht voor zijn werk van productiemedewerker. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2009 het bezwaar ongegrond geacht.

3.1. In zijn beroepschrift heeft appellant gesteld dat zijn psychische klachten, waarvan hij in bezwaar melding heeft gemaakt, onderbelicht zijn gebleven. In reactie hierop heeft Van den Broeke-Spieker in haar rapport van 17 maart 2009 gesteld dat er bij appellant geen duidelijke aanwijzingen zijn voor een stemmingsstoornis of een evidente psychopathologie.

3.2. Bij brief van 27 januari 2010 heeft appellant, onder overlegging van een rapport van de psycholoog S. Essatibi, nadere gronden ingediend. Daarbij heeft hij onder meer gesteld dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij de beantwoording van de vraag of hij geschikt was voor zijn eigen werk geen juist beeld voor ogen hebben gehad van deze functie.

3.3. Op deze nadere gronden heeft de bezwaarverzekeringsarts J.L.E. Tson-A-Sam nog gereageerd in een rapport van

29 januari 2010.

4. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellant met ingang van

22 december 2008 geschikt moet worden geacht voor zijn eigen werk en heeft het beroep ongegrond verklaard.

5.1. In het namens appellant ingediende hoger beroepschrift heeft hij zijn eerdere in de procedure gebrachte gronden herhaald.

5.2.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2.2. De Raad stelt voorop dat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangegeven dat de grond met betrekking tot de juiste aard en zwaarte van de door hem laatst verrichte werkzaamheden niet langer wordt gehandhaafd.

5.3. Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig medisch onderzoek ingesteld naar de medische toestand van appellant. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat appellant zowel door de verzekeringsarts Bolhaar als door de bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker is gezien. Voor wat betreft het door appellant overlegde rapport van de psycholoog Essatibi overweegt de Raad dat hij zich kan verenigen met de daarop gegeven reactie van de bezwaarverzekeringsarts Tson-A-Sam in zijn rapport van 29 januari 2010. De Raad is op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat de psychische klachten van appellant onderbelicht zijn gebleven en door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist zijn beoordeeld. Voorts kan de Raad het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellant met ingang van 22 december 2008 geschikt moet worden geacht voor zijn eigen werk niet voor onjuist houden. Tot slot overweegt de Raad dat hij zich evenmin kan verenigen met het standpunt van appellant dat hij vanwege zijn angststoornis dit werk slecht enkele dagen kan volhouden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dit standpunt in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt.

5.4. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit rechtens juist is te achten en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

EK