Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10-4675 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing verzoek om herberekening en herziening wachtgeld. Toetsingsmaatstaf. Duuraanspraak. Verleden: Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Van datum verzoek: de minister mocht bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging appellant de vrijstelling voor vermindering van het wachtgeld met ook de nominale toeslag voor onregelmatige diensten niet onthouden. 2) en 3) Herziening wachtgeld wegens inkomsten. Terugvordering. Gezien oordeel over besluit 1, zijn de verrekenbare inkomsten niet juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/44
Module Ambtenarenrecht 2013/1325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4675 AW en 10/4676 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 juli 2010, 09/1429 en 09/2007 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De toenmalige Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2011. Appellant, opgeroepen om ter zitting bij gemachtigde te verschijnen, is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, verbonden aan DAS Rechtsbijstand. De minister, eveneens opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H. Hendriks en D. Idema, beiden verbonden aan KPMG Management Services.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is in verband met zijn ontslag met ingang van 1 juni 2001 een wachtgeld toegekend uit hoofde van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (WBAD). Na dat ontslag is appellant aangesteld als ambtenaar bij het ministerie van Justitie (thans Veiligheid en Justitie).

1.2. Appellant heeft vanaf 2002 bij de uitvoerder van het WBAD aandacht gevraagd voor de hem toekomende vrijstelling van overwerkvergoedingen en de toelage onregelmatige dienst voor de vermindering van het wachtgeld (anti-cumulatie). In januari 2003 is een bezwaar van appellant tegen een bij de vermindering van het wachtgeld in aanmerking genomen bedrag voor overwerkvergoeding en toelage onregelmatige dienst gehonoreerd. In oktober 2005 is herhaald dat appellant een vrijstelling heeft voor overwerk en de toelage onregelmatige dienst. In juni 2006 is een bezwaar van appellant tegen een bij de vermindering van het wachtgeld in aanmerking genomen overwerkvergoeding gehonoreerd.

1.3. Bij brief van 9 juli 2006 heeft appellant verzocht om herberekening en herziening van zijn wachtgeld vanaf 2003 tot heden, omdat stelselmatig geen rekening werd gehouden met de vrijstelling van overwerkvergoedingen en de toelage onregelmatige dienst voor de vermindering van het wachtgeld. Nadat appellant de minister meermalen had herinnerd aan deze brief, is zijn verzoek bij besluit van 17 februari 2009 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

9 juli 2009 ongegrond verklaard (besluit 1).

1.4. Bij besluit van 27 november 2007 is het wachtgeld over de maanden augustus 2007 tot en met oktober 2007 herzien vanwege de hoogte van appellants inkomsten, is het teveel uitbetaalde bedrag vastgesteld op € 117,09 en is dit bedrag teruggevorderd. Bij besluit van 9 oktober 2009 is het bezwaar tegen de vermindering van het wachtgeld met de toelage onregelmatige dienst niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond verklaard (besluit 2).

1.5. Bij besluit van 5 maart 2009 is het wachtgeld van december 2008 en januari 2009 herzien vanwege de hoogte van de inkomsten, het teveel uitbetaalde bedrag is vastgesteld op € 99,89 en dit bedrag is teruggevorderd. Bij besluit van

9 juli 2009 is het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard (besluit 3).

1.6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3. Besluit 1.

3.1. Partijen onderschrijven de in de aangevallen uitspraak weergegeven rechterlijke toetsingsmaatstaf inzake besluit 1, houdende de (handhaving van een) weigering om terug te komen van eerdere besluiten over de vermindering van het wachtgeld wegens genoten inkomsten uit arbeid. De Raad volstaat met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (CRvB

1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43; CRvB 22 februari 2007, LJN BA0466 en TAR 2007, 99).

3.2. Met betrekking tot het herzieningsverzoek voor het verleden - met betrekking tot het tijdvak tot 9 juli 2006 - is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft genoemd. Daarvan uitgaande kan niet worden gezegd, dat de minister niet in redelijkheid tot besluit 1 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. In zoverre slaagt het hoger beroep dus niet.

3.3. In aanmerking genomen de door appellant aangehaalde succesvolle bezwaarprocedures in 2003 en 2006 tegen het in mindering brengen van inkomsten en omdat het hier een duuraanspraak betreft, had de minister op het verzoek van appellant ook een beslissing moeten nemen over de vermindering van het wachtgeld vanaf 9 juli 2006. De Raad zal dus in besluit 1 ook lezen de handhaving van de impliciete weigering om vanaf 9 juli 2006 (voor zover nu nog van belang) de toelage onregelmatige dienst buiten de vermindering van het wachtgeld te laten. Omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend, slaagt het hoger beroep in zoverre en kan de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand blijven.

3.4. De Raad zal, mede gelet op hetgeen de minister in de procedures over de besluiten 2 en 3 hierover kenbaar heeft gemaakt, de houdbaarheid van deze weigering beoordelen. De minister is van opvatting dat appellants vrijstelling van de toelage onregelmatige dienst voor de vermindering van het wachtgeld geen betrekking heeft op de vaste nominale toelage omdat deze pas in 2002 – 2003 tot stand is gekomen en dat dus de vermelding van de vrijstelling in enige in 1998 aan appellant gerichte brieven, geen betrekking kon hebben op de vaste nominale toelage.

3.5. Aan de nota van toelichting bij het Besluit van 1 november 2003, Stb. 2003, 394 ontleent de Raad dat bij die gelegenheid onder meer de systematiek van de vergoeding onregelmatige diensten bezien is op vereenvoudiging en modernisering. In dat kader is naast de procentuele toelage voor onregelmatige diensten van artikel 17 en 17a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) een nieuwe nominale toeslag ingevoerd voor onder meer de ambtenaar die een toelage op grond van artikel 17 van het BBRA geniet. Hiermee werd, aldus de nota van toelichting, geregeld dat de compensatie voor onregelmatige diensten in sterkere mate ten goede komt aan het actieve personeel in onregelmatige dienst.

3.6. Deze uitleg laat naar het oordeel van de Raad zien dat de oorspronkelijke procentuele toelage voor onregelmatige diensten werd gewijzigd in een combinatie van een nominale en een procentuele vergoeding voor dezelfde onregelmatige diensten. In aanmerking genomen voorts dat aan de voor appellant geldende vrijstelling voor de toelage onregelmatige dienst geen nadere eisen of beperkingen waren gesteld, ziet de Raad geen grond om de vrijstelling niet eveneens van toepassing te achten op de nominale toeslag.

3.7. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel, dat de minister bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging appellant de vrijstelling voor vermindering van het wachtgeld met ook de nominale toeslag voor onregelmatige diensten niet mocht onthouden. Daarom kan besluit 1 voor zover betrekking hebbend op het tijdvak vanaf

9 juli 2006 in rechte geen stand houden en komt het in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De minister zal voor het tijdvak vanaf 9 juli 2006 de in mindering te brengen inkomsten en het bedrag van het uit te betalen wachtgeld per maand opnieuw moeten vaststellen.

4. Besluit 2.

4.1. Het oordeel van de rechtbank is toegespitst op de vraag of de bij besluit 2 gehandhaafde terugvordering in rechte kan standhouden. De rechtbank heeft hiermee miskend dat het beroep van appellant primair gericht was op de vaststelling van de hoogte van de inkomsten die bij de vermindering van het wachtgeld in aanmerking mochten worden genomen en daarmee dus tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Het hoger beroep van appellant slaagt en de aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven.

4.2. Gelet op het verzoek van appellant van 9 juli 2006 inzake de vrijstelling voor de nominale toelage voor onregelmatige diensten valt niet in te zien, dat er geen bezwaar zou openstaan tegen het besluit van 27 november 2007, voor zover daarbij de nominale vergoeding voor onregelmatige diensten in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de in mindering te brengen inkomsten. Uit het oordeel van de Raad inzake besluit 1 volgt dat de minister de verrekenbare inkomsten bij het besluit van 27 november 2007 niet juist heeft vastgesteld en dat dus ook het bedrag van de terugvordering niet juist is. Het bezwaar tegen dat besluit was dus gegrond. Besluit 2 komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het besluit van

27 november 2007 herroepen in het licht van de opdracht aan de minister als bedoeld onder 3.7.

5. Besluit 3.

5.1. Hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, geldt op vergelijkbare wijze voor besluit 3. De aangevallen uitspraak komt dus ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2009 was gegrond, zodat besluit 3 vernietigd zal worden. De Raad zal het besluit van 5 maart 2009 herroepen.

6. Schadevergoeding.

6.1. Appellant heeft de Raad verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden. De Raad overweegt dat appellant aanspraak heeft op de wettelijke rente, voor zover hem vanaf 9 juli 2006 te weinig wachtgeld is uitbetaald ten gevolge van het in mindering brengen van de nominale toeslag voor onregelmatige diensten op het wachtgeld, alsmede voor zover bij de besluiten van 27 november 2007 en 5 maart 2009 teveel is teruggevorderd. De Raad acht het geraden dat de minister bij de onder 3.7 bedoelde nog te nemen besluiten mede aandacht besteedt aan de appellant toekomende wettelijke rente.

Van overige schade is niet gebleken.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.196,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond voor zover dit betrekking heeft op het tijdvak vanaf 9 juli 2006 en vernietigt besluit 1 in zoverre;

Draagt de minister op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2009 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 voor het overige ongegrond;

Verklaart het beroep tegen de besluiten 2 en 3 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Herroept de besluiten van 27 november 2007 en 5 maart 2009;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.070,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal

€152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD