Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10-1 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toeslag. Geen sprake van een bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2009, 09/1519 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 29 april 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 10 november 2008, waarbij aan appellante naar aanleiding van haar op 11 januari 2007 aangevraagde toeslag met ingang van 11 januari 2006 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) is toegekend. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat in de TW is bepaald dat een recht op toeslag slechts kan worden vastgesteld over perioden gelegen één jaar voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag wordt ingediend, tenzij er sprake is van een bijzonder geval. Een dergelijk bijzonder geval heeft het Uwv niet aanwezig geacht, zodat het Uwv geen aanleiding heeft gezien om de toeslag eerder toe te kennen dan met ingang van 11 januari 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Ook de rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Ten aanzien hiervan merkt de rechtbank dat aan eiseres een Wao-uitkering is toegekend. Deze toekenningbeslissing ontbreekt bij de stukken. Gelet op het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder bij besluit van 20 januari 2005 de uitbetaling van de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 1 februari 2005 heeft geschorst, gaat de rechtbank er van uit dat de WAO-uitkering vóór deze laatste datum aan eiseres is toegekend. Voor zover eiseres gesteld heeft dat er bij haar sprake is van een bijzondere situatie, omdat de hoogte van haar WAO-uitkering niet bekend was, blijkt hiervan pas sprake te zijn per 1 februari 2005.

Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij haar inkomsten aan verweerder heeft doorgegeven, zodat verweerder de hoogte van haar uitkering kon vaststellen, kan de rechtbank eiseres niet volgen. De rechtbank merkt ten aanzien hiervan op dat verweerder eiseres bij brief van 19 april 2004 verzocht heeft belastingaangifte, (definitieve) belastingaanslag en jaarstukken van de jaren 2001, 2002 en 2003 toe te zenden, omdat deze van belang zijn voor de berekening van de verdienstenkorting. Niet gebleken is dat eiseres deze stukken voor 31 juli 2006 aan verweerder heeft toegezonden. Gelet hierop kon verweerder de hoogte van de WAO-uitkering niet vaststellen, hetgeen geleid heeft tot de schorsing van haar WAO-uitkering per 1 februari 2005.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt dat zij geen toeslag kon aanvragen, omdat de hoogte van haar uitkering niet vast stond. Tevens is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het onbekend zijn met de hoogte van haar WAO-uitkering niet in de weg staat van het aanvragen van een toeslag op grond van de TW."

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden herhaald.

4. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) I.J. Penning.

EK