Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10/5524 WAO + 10/5934 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen in de FML. Eerst in hoger beroep deugdelijke arbeidskundige grondslag gegeven. Opleidingsniveau is juist vastgesteld. Voldoende passende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5524 WAO en 10/5934 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010, 09/660 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 28 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.A.C. Vijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2011. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vijn. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, die voor zijn uitval gedurende 36 uur per week werkzaam was als hulpvakarbeider drukkerij, ontving vanaf 15 oktober 1989 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 13 augustus 2008 is in het kader van een herbeoordeling volgens het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434; hierna: aSB) de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 14 oktober 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Betrokkene heeft tegen het besluit van 13 augustus 2008 bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft reden gezien tot wijziging van de vastgestelde belastbaarheid als neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 april 2008. De door de bezwaarverzekeringsarts gewijzigde belastbaarheid is neergelegd in de FML van

19 november 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanvullende beperkingen aangenomen op de aspecten 4.18 (lopen) en 5.3 (staan), de beperking op het aspect 4.19 (lopen tijdens het werk) verminderd en de beperkingen op de aspecten 1.9 (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid), 3.10 (specifieke voorwaarden voor de aanpassing aan de fysieke arbeidsomgeving) en 5.4 (staan tijdens het werk) laten vervallen. Uitgaande van de aldus gewijzigde belastbaarheid heeft de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 12 januari 2009 vervolgens vastgesteld dat, behoudens één functie, de in de primaire fase van de onderhavige besluitvorming geselecteerde functies medisch passend zijn te achten, waarmee - ten gevolge van het wegvallen van de ongeschikte functie - een mate van arbeidsongeschiktheid bestaat vallend in de klasse 45 tot 55%. Een en ander heeft geleid tot het besluit van 12 januari 2009 waarbij de WAO-uitkering van betrokkene ingaande 14 oktober 2008 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 12 januari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en besluiten genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.2. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen als weergegeven in de FML van 19 november 2008. Onder aanhaling van de door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 19 november 2008 gegeven overwegingen heeft de rechtbank geoordeeld dat de in verband met klachten van de rechterenkel bijgestelde beperkingen ten aanzien van lopen en staan, de vervallen beperking voor wat betreft toiletgebruik, het niet aannemen van beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en de afwezigheid van een urenbeperking voldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.

2.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat niet een voldoende aantal van de voor de schatting geselecteerde functies onder de sbc-codes 111340, 315040, 315150, 317011 en 264122 zijn berekend op de bekwaamheden van betrokkene, zodat het besluit van 12 januari 2009 in strijd is met artikel 9, aanhef en onder a, van het aSB. Ten aanzien van de functies onder de sbc-codes 315150 en 264122 is overwogen dat deze functies in verband met het eraan verbonden functieniveau 3, gezien het voor betrokkene vastgestelde opleidingsniveau 2, niet passend zijn. Daarnaast is het, gezien de pychologische testresultaten, niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene over het vermogen beschikt om interne cursussen te volgen zoals in die functies wordt vereist. Om deze laatste reden zijn ook de functies onder sbc-code 317011 niet passend geacht.

3.1. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 12 januari 2009 op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Naar de mening van betrokkene heeft het Uwv zijn beperkingen onderschat. Meer specifiek wordt gesteld dat de beperkingen met betrekking tot lopen en staan zijn onderschat. Volgens betrokkene is de door de bezwaarverzekeringsarts gewijzigde (zwaardere) belastbaarheid op de aspecten 4.19 (lopen op het werk) en 5.3 (staan op het werk) in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts stelt betrokkene dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen in persoonlijk en sociaal functioneren en dat een urenbeperking medisch geïndiceerd is. Ter onderbouwing van het hoger beroep zijn brieven van psychomotorisch therapeut J. Goffin van 26 oktober 2010 en orthopedisch chirurg dr. J.A. van der Sluijs van 16 februari 2010,

20 september 2010 en 11 november 2010 overgelegd.

3.2. Het Uwv is in hoger beroep gekomen van het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het besluit van 12 januari 2009. Gedurende de procedure in hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen, gelet op door betrokkene overgelegde nadere informatie over de door hem gevolgde opleiding, het standpunt ten aanzien van het opleidingsniveau van betrokkene gewijzigd. Er wordt, zo blijkt uit een rapport van 11 februari 2010, niet langer uitgegaan van een opleidingsniveau 2 VMBO-niveau, maar van een opleidingsniveau 2 met enkele jaren voortgezet (beroeps)onderwijs. Het wijzigen van het opleidingsniveau heeft tot gevolg dat de geduide functies onder de sbc-codes 315040, 315150 en 317011 bij nader inzien door het Uwv niet passend zijn geacht. De functies onder de sbc-codes 111340 en 264122 zijn wel gehandhaafd. Voorts zijn binnen de sbc-code 317011 nieuwe functies bijgeduid en tevens is binnen de sbc-code 264122 additioneel een functie bijgeduid. Met deze functies wordt een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse 35 tot 45% berekend. Er wordt evenwel niet ten nadele van betrokkene teruggekomen op de bij het besluit van

12 januari 2009 vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.

4.1. Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het besluit van 12 januari 2009 ziet de Raad geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen van betrokkene zoals neergelegd in de FML van 19 november 2008.

4.2.1. De Raad overweegt hiertoe op de eerste plaats dat de wetgever met artikel 7:11 van de Awb - waarin de verplichting tot heroverweging op grondslag van het bezwaar is vervat - tot uitdrukking heeft willen brengen dat onderdelen van het primaire besluit die geheel los staan van de aangevoerde bezwaren in beginsel niet mogen worden heroverwogen en dat het primaire besluit in beginsel niet ten nadele van betrokkene mag worden gewijzigd. Hieruit vloeit voort dat de bezwaarverzekeringsarts in geval van betwisting van de medische grondslag in bezwaar het aanvankelijk opgestelde belastbaarheidpatroon mag wijzigen, ook als dit leidt tot het minder beperkt achten van betrokkene op een of meer onderdelen, mits daarvoor een inzichtelijke en overtuigende medische onderbouwing is gegeven en mits betrokkene door de aanpassing van de FML inhoudelijk niet in een nadeliger rechtspositie wordt gebracht. In het onderhavige geval is van het laatste geen sprake nu betrokkene door de aanpassing van de FML er wat betreft de omvang van zijn uitkeringsrecht op de datum in geding ten opzichte van het besluit van 13 augustus 2008 zelfs op vooruit is gegaan. De Raad is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapporten van 19 november 2008 en 17 maart 2009 de aangebrachte wijzigingen in de belastbaarheid op de onderdelen 1.9, 3.10, 4.19 en 5.4 in de FML inzichtelijk en medisch overtuigend heeft gemotiveerd. De beschikbare medische gegevens bieden geen aanknopingpunten voor de aanwezigheid van duidelijke objectieve afwijkingen ten aanzien van de rechterenkel. De in hoger beroep overgelegde brieven van orthopedische chirurg Van der Sluijs bevatten geen informatie omtrent de rechterenkel. De in die brieven vermelde enkelklachten links en knieklachten links dateren van ruim na de hier in geding zijnde datum en spelen dan ook geen rol bij de onderhavige beoordeling.

4.2.2. De Raad ziet voorts onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat beperkingen hadden moeten worden aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich voldoende rekenschap gegeven van de betekenis van het Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen in het onderhavige geval en heeft genoegzaam gemotiveerd dat de in bezwaar en beroep overgelegde informatie van de behandelaars van Mentrum geestelijke gezondheidszorg Amsterdam, waaruit met name blijkt van de aanwezigheid van diffuse angstklachten, niet noopt tot het stellen van beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. In de door betrokkene in hoger beroep ingebrachte rapportage van de psychomotorisch therapeut Goffin van 26 oktober 2010 heeft de Raad geen objectief medisch inhoudelijke onderbouwing gevonden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van betrokkene op de datum in geding onjuist heeft gewaardeerd. De Raad is verder van oordeel dat van een medische noodzaak tot het, naast de gestelde fysieke beperkingen, aannemen van een urenbeperking niet is gebleken. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet tot het inschakelen van een onafhankelijke medische deskundige als waarom door betrokkene is verzocht.

4.3. In hoger beroep is noch gesteld noch gebleken dat de belasting in de voor betrokkene uiteindelijk als grondslag voor de schatting geselecteerde functies van sorteerder, controleur (sbc-code 111340), benzinepompmedewerker (sbc-code 317011) en machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) zijn belastbaarheid als neergelegd in de FML van

19 november 2008 overschrijdt.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

5.1. Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad als volgt.

5.2. De Raad is van oordeel dat het Uwv op grond van de beschikbare gegevens over de door betrokkene gevolgde opleidingen terecht het opleidingsniveau van betrokkene nader heeft vastgesteld op opleidingsniveau 2 met enkele jaren voortgezet (beroeps)onderwijs.

Betrokkene is op 14 jarige leeftijd vanuit Marokko, alwaar hij lager onderwijs gevolgd heeft, naar Nederland gekomen. In Nederland heeft betrokkene op de [naam school] gezeten, een school ter voorbereiding op de Nederlandse samenleving, onder meer door middel van Nederlandse taallessen, alsmede ter voorbereiding op voortgezet onderwijs. Vanuit deze school is hij ingestroomd in de tweede klas van een vierjarige LTS-opleiding en is hij aan het eind van het schooljaar 1976-1977 voorwaardelijk bevorderd naar de derde klas. Aan het eind van het schooljaar 1977-1978 is hij voor die opleiding uitgeschreven. Het standpunt van betrokkene dat hij praktisch analfabeet is omdat hij niet kan lezen en schrijven in de Nederlandse taal wordt door de Raad verworpen omdat deze stelling onvoldoende is onderbouwd en dit standpunt voorts niet valt te rijmen met evenvermelde gegevens over de schoolloopbaan van betrokkene in Nederland. Dit wijst erop dat betrokkene komend vanaf de [naam school] geen lager niveau heeft bereikt dan eindbasisschoolniveau. De Raad is verder van oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene laagbegaafd is, zoals door de gemachtigde ter zitting van de Raad is betoogd. Deze conclusie kan niet worden ontleend aan de psychologische testresultaten van

11 en 25 augustus 2008. Naar aanleiding van die testresultaten is door de GZ-psycholoog W.G. Steenkamp een voorzichtige niveauschatting gegeven. Daarbij is ook nog aangetekend dat inzet en concentratievermogen bij het onderzoek mogelijk zijn beïnvloed door de ondervonden lichamelijke klachten.

5.3. Betrokkene kan gelet op het voor hem vastgestelde opleidingsniveau voldoen aan de opleidingseisen die zijn verbonden aan de uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 11 februari 2010 als grondslag voor de schatting geselecteerde functies als vermeld in overweging 4.3. De omstandigheid dat één van de functies tankstation medewerker onder sbc-code 317011 en een aantal functies draadweefster/nadenlegster onder sbc-code 264122 een functieniveau 3 hebben brengt niet met zich dat deze functies om die reden niet passend zijn te achten voor betrokkene, aangezien het functieniveau geen criterium is bij de beantwoording van de vraag of een functie berekend is op de bekwaamheden. De Raad merkt ten slotte op dat zo er al twijfel mocht bestaan of betrokkene in het licht van de door GZ-psycholoog Steenkamp gegeven niveauschatting wel in staat is tot het volgen van de verplichte interne opleiding bij een aantal functies draadweefster/nadenlegster onder sbc-code 264122 en die functies om die reden niet passend kunnen worden geacht, dit het eindresultaat van de schatting niet wijzigt. Immers bij het vervallen van die functies resteren voldoende functies onder deze sbc-code waarmee voldaan wordt aan de getalseisen van het aSB en waarmee de arbeidsongeschiktheidsklasse niet wijzigt.

6. Het gegeven dat het besluit van 12 januari 2009 eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke arbeidskundige grondslag leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank dat besluit terecht heeft vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen ervan, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. Daaruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, niet in stand kan blijven. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

7. Het verzoek van betrokkene tot vergoeding van schade bestaande uit wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat die schade, nu het besluit inhoudelijk gezien juist is, niet is geleden.

8. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- voor verleende rechtsbijstand en € 14,80 aan reiskosten, in totaal derhalve € 888,80. Aangezien in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het bedrag van € 874,- te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de daarin aan het Uwv gegeven opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 januari 2009 geheel in stand blijven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 888,80, waarvan € 874,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 448,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) I.J. Penning.

IvR