Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
09-5811 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing arbeidsverplichtingen. Het College heeft de ontheffing op goede gronden voor de periode van een jaar verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5811 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2009, 09/1699

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(hierna: College)

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 september 2011. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het College appellante, op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), met ingang van 1 oktober 2008 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10%. Bij besluit van 24 december 2008 heeft het College de ingangsdatum van de uitkering gewijzigd in 4 augustus 2008.

1.2. Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het College appellante gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen in die zin dat zij vanwege de zorg voor een kind jonger dan vijf jaar niet naar een volledige baan hoeft te solliciteren maar naar werk gedurende zestien uur per week.

1.3. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het College het bezwaar van appellante gericht tegen de sollicitatieplicht gedeeltelijk gegrond verklaard. Het College heeft appellante ontheven van alle arbeidsverplichtingen tot 10 maart 2010. Daarbij heeft het College opgemerkt dat de situatie van appellante over een jaar opnieuw beoordeeld zal worden, waarbij onder meer haar woonsituatie een factor van betekenis zal zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

10 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij op grond van haar sociale en medische omstandigheden van alle arbeidsverplichtingen had moeten worden ontheven voor een periode van drie jaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is de bijstandsgerechtigde jonger dan 65 jaar verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden (…);

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 9, tweede lid, van de WWB bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

4.2. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid van de beleidsregels Re-integratieverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam (hierna: Beleidsregels) is sprake van zeer dringende redenen om ontheffing te verlenen van de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen als de bijstandsgerechtigde:

a. blijkens medisch advies volledig arbeidsongeschikt is;

b. volledig in beslag wordt genomen door sociale omstandigheden (…);

c. naar verwachting vooralsnog geen kans maakt op inschakeling in niet-gesubsidieerde arbeid.

Artikel 3.2, tweede lid van de Beleidsregels bepaalt dat de duur van de ontheffing afhangt van de periode waarin de zeer dringende redenen naar verwachting van toepassing zijn, doch in beginsel niet langer dan 36 maanden.

4.3. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat een ontheffing als hier aan de orde slechts tijdelijk verleend kan worden. Met de laatstgenoemde beleidsregel heeft het College daaraan invulling gegeven.

4.4. Het College heeft zijn besluit om de ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in samenhang met artikel 3.2, tweede lid, van de Beleidsregels voor de duur van een jaar te verlenen onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat appellante sociaal in beslaggenomen wordt door de medische problematiek van haar jongste dochter en haar eigen medische problematiek. Haar jongste dochter verblijft in een speciale opvang voor zieke kinderen en appellante moet van de kinderbescherming elke dag haar dochter opzoeken, anders wordt haar dochter bij haar weggehaald en in een pleeggezin geplaatst. Met betrekking tot haar eigen medische problematiek heeft appellante medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op het moment inwoont bij familie maar dat ze vanwege haar cardiologische problemen dringend een andere woning nodig heeft om zichzelf en haar gezin tot rust te laten komen.

4.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College ervan mocht uitgaan dat de omstandigheden waarop het zijn standpunt heeft gebaseerd dat appellante diende te worden ontheven van de arbeidsverplichtingen - in ieder geval op onderdelen - aan verandering onderhevig zijn. Overigens blijkt uit de gedingstukken dat de omstandigheden van appellante, waaronder haar woonsituatie, feitelijk ook zijn veranderd in de loop van het jaar waarin de ontheffing van kracht was. Naar het oordeel van de Raad is er geen grond voor het oordeel dat het College in dit geval niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan zijn op artikel 9, tweede lid, van de WWB gebaseerde beleid door te besluiten dat na een jaar opnieuw diende te worden beoordeeld of de dringende omstandigheden die noopten tot verlening van een ontheffing zich nog voordeden. Het College heeft de ontheffing dan ook op goede gronden voor de periode van een jaar verleend.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. van Dam.

CVG