Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
09-2407 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De periode waarvoor ontheffing van arbeidsverplichtingen was verleend, was verstreken zonder dat dit voor appellant nadelige gevolgen. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2407 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 maart 2009, 08/5757 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Groenewegen, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 19 juli 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 27 augustus 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2008, heeft het College appellant op grond van persoonlijke omstandigheden ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB voor de periode van 1 augustus 2007 tot 1 augustus 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de periode waarvoor ontheffing was verleend was verstreken zonder dat dit voor appellant nadelige gevolgen heeft gehad en dat gelet daarop een uitspraak op het beroep voor appellant geen feitelijke betekenis meer kan hebben.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel een procesbelang had bij de beoordeling van zijn beroep. In dit verband heeft appellant er - samengevat - op gewezen, dat hij in beroep heeft betoogd dat hij bemiddeld wilde worden naar een voor hem passende functie en in verband daarmee had verzocht zijn bijstandsuitkering te verhogen tot € 1.700,-- netto totdat hem een dergelijke functie zou worden aangeboden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het besluit van 17 juni 2008 uitsluitend de tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB betreft. De Raad is, gelet op de onder 3 vermelde gronden, van oordeel dat appellant reeds daarom niet met zijn beroep bij de rechtbank daadwerkelijk had kunnen bereiken wat hem voor ogen stond, omdat het besluit van 17 juni 2008 daar niet op ziet. Gelet hierop slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) I. Mos.

HD