Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
09/4469 WWB + 09/4470 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering met 20%van het netto minimumloon. Niet aannemelijk dat appellanten huur hebben betaald voor het gebruik van het pand, waarin zij wonen. Op het aanvraagformulier wordt van het huren van een woning en van het betalen van huur geen melding gemaakt en ook tijdens het huisbezoek wordt enkel gesproken over het betalen van een vergoeding voor het gebruik van energie. Geen zeer bijzondere situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4469 WWB

09/4470 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2009, 09/1479 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 27 februari 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Uit een onderzoek naar de woonsituatie van appellanten is gebleken dat de [adres 1] te [gemeente], waar appellanten voorheen woonden, geen geldig woonadres meer was. Dit hield verband met de opzegging door de verhuurder, [naam woningbouw], die de woning wilde gaan renoveren. Aangezien appellanten geen ander adres hadden opgegeven, heeft het College bij besluit van 5 december 2008 de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2008 ingetrokken.

1.3. Op 1 december 2008 hebben appellanten zich bij het College gemeld om bijstand aan te vragen. Hierbij hebben zij de [adres 2] te [gemeente] als woonadres opgegeven en het [adres 3] te [gemeente] als postadres.

1.4. Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het College aan appellanten met ingang van 1 december 2008 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Het College heeft daarbij het bedrag van de bijstand verlaagd met 20% van het netto minimumloon. Aan die verlaging heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten in een bedrijfspand wonen waarvoor zij geen huur of eigendomslasten betalen.

1.5. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 5 december 2008 gegrond verklaard en bepaald dat de bijstandsuitkering per 1 december 2008 ongewijzigd wordt voortgezet.

1.6. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 26 januari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 26 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat het besluit van 3 februari 2009 in de plaats is getreden van het besluit van 26 januari 2009. Volgens appellanten betekent dit dat zij recht hebben op ongekorte bijstand en dat het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2009 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat geheel aan hun bezwaren is tegemoet gekomen. Appellanten hebben verder aangevoerd dat aan het pand waar zij verbleven woonkosten waren verbonden. Tijdens het huisbezoek hebben zij aangegeven dat zij een maandelijkse vergoeding aan de eigenaar van de woning aan de [adres 2] moeten betalen van € 450,--. Deze vergoeding betreft volgens appellanten niet slechts het gebruik van energie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de bijstand van appellanten bij besluit van 5 december 2008 met ingang van 1 december 2008 is ingetrokken, dat bij besluit van 26 januari 2009 aan appellanten bijstand is toegekend met ingang van 1 december 2008, waarbij een korting van 20% van het netto minimumloon op de bijstand is toegepast en dat bij het besluit op bezwaar van 3 februari 2009 de bijstand met ingang van 1 december 2008 ongewijzigd is voortgezet. De Raad volgt niet het standpunt van appellanten dat met het besluit van 3 februari 2009 de korting van 20% ongedaan is gemaakt. Uit de in dat besluit gebruikte bewoordingen, dat de bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet, kan dat ook niet worden afgeleid. Hiermee is naar het oordeel van de Raad niet meer bedoeld dan dat de intrekking van de bijstand wordt teruggedraaid. Het intussen op 26 januari 2009 genomen toekenningsbesluit - achteraf bezien een wijzigingsbesluit - ziet op een gewijzigde woonsituatie. De beroepsgrond van appellanten, inhoudende dat het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2009 niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat met het besluit van 3 februari 2009 geheel aan hun bezwaren is tegemoet gekomen, treft dan ook geen doel.

4.2. Ingevolge artikel 27 van de WWB kan het College de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de WWB plaats onverminderd artikel 18, eerste lid. Voor een verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB is volgens vaste rechtspraak van de Raad slechts aanleiding in zeer bijzondere situaties.

4.3. Ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB heeft de raad van de gemeente Amsterdam de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand vastgesteld (hierna: de verordening). Artikel 4, tweede lid, van de verordening bepaalt dat de basisnorm wordt verlaagd met 20% van het netto minimumloon, indien de belanghebbenden, behorend tot de categorie gehuwden, lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de basisnorm voorziet als gevolg van bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of het niet aanhouden van een woning. In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, van de verordening is bepaald dat onder deze verordening wordt verstaan onder woonkosten:

1e indien een woning wordt gehuurd: de rekenhuur als bedoeld in artikel 5 van de Huursubsidiewet (Staatsblad 1997, nr.197); 2e indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

4.4. Ten aanzien van de door het College toegepaste korting stelt de Raad voorop dat ter beoordeling voorligt de periode vanaf 1 december 2008 (de datum met ingang waarvan de korting is toegepast) tot en met 26 januari 2009 (de datum van het primaire besluit).

4.5. Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten bij hun aanvraag om bijstand van 1 december 2008 hebben aangegeven dat zij op het adres van een vriend verblijven op de [adres 2] te [gemeente]. Zij hebben op het aanvraagformulier de vraag of zij een woning huren en welke huur zij betalen niet beantwoord. Evenmin hebben zij een huurovereenkomst overgelegd. Toen met appellanten een afspraak is gemaakt om de locatie waar zij verbleven te bezoeken, hebben appellanten aangegeven dat met de hoofdbewoner geen contact mag worden opgenomen. Op 22 januari 2009 hebben twee handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een bezoek gebracht aan het pand op het opgegeven verblijfadres. Appellanten hebben tijdens dat huisbezoek verklaard dat zij sinds eind oktober / begin november 2008 op dit adres verblijven, dat de heer [M.] eigenaar is van het pand, dat hij hen wil helpen, maar niets te maken wil hebben met de DWI, dat appellanten hem een vergoeding moeten geven voor het gebruik van energie, dat [M.] geen vast bedrag heeft genoemd en dat zij dat zelf moeten invullen en dat zij hem € 450,-- hebben betaald.

4.6. Op grond van deze gegevens acht de Raad niet aannemelijk dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode huur hebben betaald voor het gebruik van het pand aan de [adres]. Op het aanvraagformulier wordt van het huren van een woning en van het betalen van huur geen melding gemaakt en ook tijdens het huisbezoek wordt enkel gesproken over het betalen van een vergoeding voor het gebruik van energie. De stelling van appellanten dat zij tijdens het huisbezoek hebben verklaard dat zij een maandelijkse vergoeding moeten betalen en dat die vergoeding niet slechts het gebruik van energie betreft, vindt geen steun in de gedingstukken. Aangezien appellanten niet wensten dat medewerkers van de DWI met de eigenaar van het pand waar zij verbleven contact opnamen lag het niet op de weg van het College nader onderzoek naar de aard en het eenmalig dan wel structurele karakter van de door appellanten gestelde betalingen aan die eigenaar te doen. Het voorgaande betekent dat appellanten ten tijde hier van belang geen woonkosten hadden als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, van de verordening. Het College diende dan ook op grond van artikel 4, tweede lid, van de Verordening de basisnorm van appellanten te verlagen met 20% van het minimumloon.

4.7. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat sprake is van een zeer bijzondere situatie op grond waarvan het College met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB de verlaging op een lager percentage had moeten vaststellen of van verlaging had moeten afzien.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD