Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
10-5084 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte dagloon. De rechtbank heeft in haar uitspraak met juistheid gemotiveerd waarom toepassing van artikel 17 niet leidt tot een hoger dagloon dan € 57,70. De vergelijking van appellant met zijn ZW-dagloon gaat niet op, reeds omdat voor de ZW is uitgegaan van een andere referteperiode. De referteperiode liep in dit geval van 22 februari 2008 tot 22 februari 2009. In die periode heeft appellant niet gewerkt voor werkgever 1, maar enkel voor werkgever 2. Uit de overgelegde stukken, met name de opgave loongegevens WW, blijkt dat het gehele premieloon uit dat dienstverband is meegenomen. Het dagloon is dan ook op juiste wijze vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5084 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 juli 2010, 09/945 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meeuwissen, advocaat te Maasbracht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meeuwissen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot 5 november 2007 werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur bij [werkgever 1] gedurende 40 uren per week. Aansluitend is hij in dienst getreden bij [werkgever 2], eveneens voor 40 uren per week.

1.2. Op 2 maart 2009 heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd omdat hij bij [werkgever 2] nog maar 17 uren per week kon werken.

1.3. Bij besluit van 19 maart 2009 is hem ingaande 2 maart 2009 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 57,70 per week.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 28 mei 2009 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 17 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) niet leidt tot een hoger dagloon dan het vastgestelde dagloon. Het dagloon is dan ook juist vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat artikel 17 van het Besluit wel leidt tot een hoger dagloon. Voorts is aangevoerd dat artikel 15 moet worden toegepast. Appellant is verder van mening dat niet het volledige inkomen over de referteperiode is meegenomen. Uitgangspunt moet zijn het inkomen van zijn laatste vaste dienstbetrekking bij [werkgever 1]. Hij stelt zich op het standpunt dat het WW-dagloon hetzelfde moet zijn als het dagloon, waarop zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is gebaseerd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot toepassing van artikel 17 van het Besluit bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak met juistheid gemotiveerd waarom toepassing van artikel 17 niet leidt tot een hoger dagloon dan € 57,70. De vergelijking van appellant met zijn

ZW-dagloon gaat niet op, reeds omdat voor de ZW is uitgegaan van een andere referteperiode.

4.3. Het beroep op artikel 15 van het Besluit slaagt evenmin aangezien niet is aangetoond dat sprake is van opeenvolgende verliezen van arbeidsuren binnen het refertejaar uit dezelfde dienstbetrekking.

4.4.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat uitgangspunt moet zijn het bij [werkgever 1] verdiende inkomen en dat niet het volledige inkomen bij de berekening van het dagloon is meegenomen overweegt de Raad als volgt.

4.4.2. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis) en in het bijzonder paragraaf 4.3. ‘de dagloonsystematiek’ (Kamerstukken II 2001-2002, 28 219, nr. 3, blz. 58 e.v.) heeft een al langer levend besef, dat vereenvoudiging van de dagloonregels noodzakelijk was, gestalte gekregen. De met deze wet beoogde vereenvoudiging heeft geleid tot een nieuwe dagloonregeling met de volgende uitgangspunten:

• de loonelementen voor het dagloon zijn gelijk aan het loon waarover premies worden geheven;

• het dagloon wordt gebaseerd op het in een referteperiode genoten loon (historisch dagloon);

• voor de verschillende wetten gelden zo uniform mogelijke regels en

• de daglonen worden vastgesteld aan de hand van feitelijk vast te stellen, objectieve gegevens.

Door middel van Walvis heeft de wetgever dientengevolge in die zin een wijziging in de dagloonsystematiek aangebracht dat het dagloon in het vervolg gebaseerd moet worden op het historisch dagloon. Gelet op de keuze voor het uitgangspunt dat het premieloon gelijk is aan het uitkeringsloon, is het logisch dat het dagloon niet langer zal worden gebaseerd op toekomstig loon, maar op hetgeen in een periode in het verleden is genoten (historisch dagloon). De verschuldigde premie wordt immers betaald over het feitelijk door de werknemer genoten loon.

4.4.3. De referteperiode liep in dit geval van 22 februari 2008 tot 22 februari 2009. In die periode heeft appellant niet gewerkt voor [werkgever 1], maar enkel voor [werkgever 2]. Uit de overgelegde stukken, met name de opgave loongegevens WW, blijkt dat het gehele premieloon uit dat dienstverband is meegenomen. Het dagloon is dan ook op juiste wijze vastgesteld.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.G.M. van Rijnberk als leden in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) E. Heemsbergen.

GdJ