Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
09-6037 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzging aanvraag voorbereidingskrediet omdat appellant niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 2 van het Bbz 2004. De Raad is van oordeel dat de weigering van het voorbereidingskrediet op de grond dat appellant geen algemene bijstand ontvangt in de gegeven omstandigheden niet tot effect heeft dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellant onmogelijk wordt gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). De Raad neemt daarbij in aanmerking dat (betrokkene) met haar uitkeringen beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant en haarzelf.

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 29
Grondwet 1
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 04-11-2000 1
Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 04-11-2000 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/357
JWWB 2011/255
USZ 2011/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6037 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 september 2009, 08/2109 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Voor appellant is mr. Bovenkamp verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is gehuwd met [D.]. Appellant heeft geen eigen inkomen. [D.] ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en daarnaast een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Appellant en [D.] ontvangen geen algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2. Appellant heeft op 16 februari 2008 een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) aangevraagd. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 2 van het Bbz 2004.

1.3. Bij besluit van 24 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant geen algemene bijstand ontvangt en daarom niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van het Bbz 2004 kan aan een persoon als bedoeld in artikel 2, derde lid, bijstand worden verleend in de met de voorbereiding samenhangende kosten, bedoeld in artikel 2, derde lid.

4.2. Artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 bepaalt dat bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden kan worden voortgezet.

4.3. Appellant ontvangt geen algemene bijstand en is derhalve geen persoon als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004. Dat betekent dat aan appellant niet met toepassing van artikel 29, eerste lid, van het Bbz 2004 bijstand kan worden verleend.

4.4. Appellant heeft een beroep gedaan op schending van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Hij heeft in dat verband gesteld dat hij geen eigen inkomen heeft en voor zijn bestaansvoorziening afhankelijk is van de uitkeringen van [D.]. [D.] ontvangt een Wajong-uitkering en op grond van de TW wordt die uitkering met een toeslag aangevuld tot het sociale minimum voor gehuwden. Volgens appellant is sprake van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen appellant enerzijds en degenen die algemene bijstand ontvangen anderzijds.

4.5. Ingevolge artikel 26 van het IVBPR is het verboden onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, als met dit onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken of niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. Naar het oordeel van de Raad is van vergelijkbare gevallen geen sprake, zodat het beroep op schending van artikel 26 van het IVBPR reeds hierom niet kan slagen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant in het geheel geen uitkering ontvangt en dat het recht op en de hoogte van de Wajong-uitkering van [D.] niet afhangt van de middelen van appellant. Voorts worden bij de beoordeling van het recht op en de hoogte van toeslag van [D.] de middelen van appellant slechts in aanmerking genomen voor zover het gaat om inkomen uit of in verband met arbeid, waarbij voor inkomen uit arbeid een ruime vrijlating geldt. Op appellant rusten voorts geen verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling terwijl personen die algemene bijstand ontvangen wel met dergelijke verplichtingen worden geconfronteerd.

4.6. Om de in overweging 4.5 weergegeven reden treft ook het beroep van appellant op de non-discriminatievoorschriften die zijn vervat in artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het twaalfde Protocol bij het EVRM geen doel.

4.7. Appellant heeft voorts een beroep gedaan op schending van artikel 8 van het EVRM. Ter zitting van de Raad heeft gemachtigde van appellant dit beroep aldus toegelicht dat appellant door de afwijzing van zijn aanvraag om een voorbereidingskrediet op onaanvaardbare wijze wordt beperkt in de ontwikkeling van zijn persoon in relatie tot anderen. Door die afwijzing wordt hem immers de mogelijkheid ontnomen om in de toekomst als zelfstandige een eigen inkomen uit arbeid te verwerven en daarmee de situatie te beëindigen dat hij voor zijn bestaansvoorziening afhankelijk is van het inkomen van [D.].

4.8. Ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 8 van het EVRM oordeelt de Raad als volgt. De Raad heeft eerder overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 22 december 2008, LJN BG8776 en LJN BG8789) dat het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) als “the very essence” van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privé-leven en gezinsleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen, alsmede het gezinsleven te beschermen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven en bescherming van het gezinsleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt.

4.9. De Raad is van oordeel dat de weigering van het voorbereidingskrediet op de grond dat appellant geen algemene bijstand ontvangt in de gegeven omstandigheden niet tot effect heeft dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellant onmogelijk wordt gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). De Raad neemt daarbij in aanmerking dat [D.] met haar uitkeringen beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant en haarzelf. Daar komt bij dat appellant, van wie gesteld noch gebleken is dat hij behoort tot de categorie van kwetsbare personen als bedoeld in eerder vermelde rechtspraak van het EHRM, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het geheel geen mogelijkheden heeft om - bijvoorbeeld door het verrichten van arbeid in dienstbetrekking - de situatie te beëindigen dat hij voor zijn bestaansvoorziening afhankelijk is van de uitkeringen van [D.]. Naar het oordeel van de Raad kan onder die omstandigheden niet worden volgehouden dat de weigering van het voorbereidingskrediet geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van het voorbereidingskrediet en de particuliere belangen van appellant. Van een schending van artikel 8 EVRM is dan ook naar het oordeel van de Raad geen sprake.

4.10. Ook het beroep van appellant op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest faalt. De Raad verwijst in dit verband naar hetgeen reeds is overwogen in zijn uitspraken van 22 december 2008, LJN BG8776, en 26 januari 2010, LJN BL1686.

4.11. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking in komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.J.M. Crombach.

IJ