Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
09-4504 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. De bevindingen van het nadere onderzoek van de sociale recherche bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het Colllege dat appellant ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van betrokkene. De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de verklaringen die betrokkene op 13 en 14 augustus 2008 en de verklaring die appellant op 14 augustus 2008 tegenover de sociale recherche hebben afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4504 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2009, 09/707 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.C. Lala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lala. Het College heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft aan [O.] vanaf 14 februari 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een onderzoek door het College in het kader van het project ‘alleenstaande ouders’, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 februari 2008, is het vermoeden gerezen dat [O.], wonende te [naam gemeente] op het adres [adres 1], al langere tijd een gezamenlijke huishouding voert met appellant, die staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [gemeente 2]. Vervolgens heeft de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (hierna: sociale recherche) nader onderzoek verricht, onder meer bestaande uit het verhoren van appellant en [O.], het doen van observaties te [naam gemeente] en het horen van getuigen in [naam gemeente] en [gemeente 2]. De bevindingen van het nadere onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 3 september 2008.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 9 september 2008 de aan [O.] verleende bijstand met ingang van 1 januari 2004 in te trekken. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het College besloten de over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 juli 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 65.180,09 van [O.] terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. De medeterugvordering van appellant berust op de overweging dat [O.] en appellant een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB hebben gevoerd en [O.] daarvan geen melding heeft gemaakt bij het College.

1.4. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het College het tegen de medeterugvordering gerichte bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Samengevat voert appellant aan dat het College heeft nagelaten om grondig onderzoek te doen naar de woonsituatie van appellant in [gemeente 2]. Verder voert appellant aan dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres van [O.] te [naam gemeente].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant van 1 januari 2004 tot en met 31 juli 2008 zijn hoofdverblijf had in de woning van [O.]. Deze vraag dient volgens vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.2. Met de rechtbank en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de bevindingen van het nadere onderzoek van de sociale recherche voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het Colllege dat appellant ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van [O.]. De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de verklaringen die [O.] op 13 en 14 augustus 2008 en de verklaring die appellant op 14 augustus 2008 tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Op 13 augustus 2008 heeft [O.] verklaard dat appellant de meeste nachten bij haar in de flat in [naam gemeente] verblijft. Op 14 augustus 2008 heeft [O.] verklaard dat appellant in 2003 een appartement heeft gekocht aan de [adres 2] te [gemeente 2] en dat hij daar ongeveer drie maanden heeft gewoond. In de periode daarna begon appellant de kinderen en [O.] steeds vaker te bezoeken. Hij ging nog wel af en toe naar de [adres 2], maar in hoofdzaak was hij bij [O.] en de kinderen op de [adres 1]. Dit is sinds die tijd zo gebleven, aldus [O.]. Toen appellant op 14 augustus 2008 werd geconfronteerd met deze verklaring van [O.] heeft appellant aan de verbalisanten medegedeeld dat hetgeen [O.] heeft gezegd klopt, waarbij hij aansluitend heeft verklaard dat hij nu pas begreep dat het om zijn hoofdverblijf ging en niet om de relatie met [O.], aangezien die er niet was. De Raad acht verder van belang dat de verklaringen van [O.] en appellant worden ondersteund door diverse getuigenverklaringen. Zo heeft [getuige 1], woonachtig aan de [adres 4] te [gemeente 2] en tevens voorzitter van de vereniging van eigenaren van het flatblok waarvan de woning van appellant deel uitmaakt, op 13 augustus 2008 aan de sociale recherche verklaard dat zij op een aan haar getoonde foto appellant herkent, waaraan zij toevoegt dat appellant - behalve misschien de eerste twee of drie maanden na de aankoop van de woning - daar niet gewoond heeft. Verder hebben diverse buurtbewoners in de omgeving van het adres van [O.] verklaard over het verblijf sinds jaren van een man, vrouw en drie kinderen op het adres.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen treft de beroepsgrond van appellant dat het College zijn woonsituatie in [gemeente 2] onvoldoende heeft onderzocht geen doel.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.J.M. Crombach.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD