Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
11-481 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging onvoorwaardelijk ontslag. De minister was bevoegd appellant disciplinair te straffen. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de verweten gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Temeer nu de Raad van oordeel is dat ook het niet melden van het bezoek aan zijn gedetineerde relatie te Almere als plichtsverzuim van appellant moet worden aangemerkt, acht de Raad het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/481 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2010, 08/1139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 20 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Lange, werkzaam bij AbvaKabo FNV te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.M. Roelvink, advocaat te Leek, en door R.J. Vos en A. Verschoor, beiden werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als medior complexbeveiliger in de Penitentiaire Inrichting [PI.] (hierna ook: PI Amsterdam). In april 2005 heeft appellant, onder een aantal voorwaarden, toestemming gekregen voor het voeren van een eigen bedrijf in de beveiligingsbranche.

Naar aanleiding van een signaal dat appellant op 29 november 2005 een bezoek had gebracht aan een gedetineerde in de PI te Almere is een onderzoek ingesteld door het Bureau Integriteit en Veiligheid van de dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft de minister bij besluit van 28 juni 2007 aan appellant op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, waarbij, samenvattend, de volgende gedragingen als plichtsverzuim zijn aangemerkt:

- het bezoeken van een gedetineerde in de PI Almere en het niet melden hiervan aan zijn leidinggevende;

- het niet melden aan zijn leidinggevende dat hij betrokken was bij de vervolging wegens een misdrijf;

- het opgeven van het telefoonnummer van de PI Amsterdam bij de inschrijving van zijn bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en het niet melden aan zijn leidinggevende dat het bedrijf [bedrijf 3] op zijn adres ingeschreven stond.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het ontslagbesluit, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het niet melden van een bezoek aan een gedetineerde in de PI Almere niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt, omdat uit het gedragsprotocol DJI 2002, alsmede uit het Integriteitsprotocol van de PI Over-Amstel 1998, niet met zoveel woorden volgt dat voor het contact met een gedetineerde in een andere inrichting dan die waar de ambtenaar zelf werkzaam is, ook een meldingsplicht geldt. De minister heeft in hoger beroep dit oordeel bestreden.

2.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 10 augustus 2006, LJN AY6962 en TAR 2006, 171, overweegt de Raad dat, gezien de sterke verwevenheid van de opgelegde sanctie en (de omvang van) het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim, de omstandigheid dat alleen appellant in hoger beroep is gekomen niet kan meebrengen dat de Raad in dit geding niet meer kan toetsen of appellant terecht (en in de juiste omvang) ook dit plichtsverzuim aanwezig heeft geacht.

2.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister appellant terecht heeft verweten dat hij van het bezoek aan de gedetineerde in de PI Almere geen melding heeft gemaakt. Weliswaar bestaat er geen strikte regel dat bezoek aan een gedetineerde in een andere inrichting moet worden gemeld, maar het onderhavige bezoek kan niet los worden gezien van de context waarin het plaatsvond. Zo betrof het hier niet louter een bezoek aan een familielid of kennis. Appellant had met de betreffende gedetineerde een zakelijke relatie doordat zij samen met nog enkele andere personen [bedrijf 3] hadden opgericht, waarin ook appellant een financieel belang had. Het bezoek had tevens ten doel over die zakelijke relatie te spreken. Van zijn bemoeienis met [bedrijf 3] had appellant evenmin melding gemaakt. Appellant had dienen te beseffen dat de aard van zijn functie meebracht dat hij openheid diende te betrachten naar zijn leidingevenden met betrekking tot omstandigheden die voor zijn functievervulling van belang konden zijn. Het aangaan en onderhouden van een zakelijke relatie met iemand die gedetineerd raakt, is in het licht van hetgeen met appellant is besproken in april 2005 een omstandigheid, waarvan hij diende te beseffen dat hij daarover naar de leiding toe openheid diende te betrachten. Door hiervan geen enkele melding te maken heeft appellant zich niet gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen en zich aldus - verwijtbaar - schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

2.4. Met betrekking tot het verwijt dat appellant niet heeft gemeld dat hij bij de uitoefening van zijn nevenwerkzaamheden in aanraking met justitie was gekomen, hetgeen heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat dit kan worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Dat appellant na eerdere veroordeling in hoger beroep is vrijgesproken, doet niets aan die meldingsplicht af; appellant had van een en ander reeds melding moeten maken, nadat het desbetreffende incident op 4 december 2004 had plaatsgevonden, hij was aangehouden en een dag op het politiebureau had doorgebracht, maar zeker ook nadat hij in augustus 2005 een dagvaarding had ontvangen om op 11 november 2005 terecht te staan. De omstandigheid dat appellant dit incident wel besproken heeft met zijn coach/begeleider V, ontsloeg hem niet van de verplichting zijn leidinggevende hierover te informeren, nu niet is aangetoond dat V als leidinggevende van appellant kan worden aangemerkt, dan wel bevoegd was in diens plaats te treden. Ook met betrekking hiertoe onderschrijft de Raad de overwegingen die de rechtbank hieraan heeft gewijd.

2.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de minister bevoegd was appellant disciplinair te straffen. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de verweten gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Temeer nu de Raad van oordeel is dat ook het niet melden van het bezoek aan zijn gedetineerde relatie te Almere als plichtsverzuim van appellant moet worden aangemerkt, acht de Raad het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel juist.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

3. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C. Nijholt.

HD