Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
11-4394 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag op grond van het Bbz 2004 voor een bedrijfskrediet. Niet levensvatbaar. Geen grond om te twijfelen aan de conclusies van SBMO en het IMK. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4394 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2011, 11/1245 en 11/1361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker heeft op 24 november 2010 een aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend ter voorziening in de behoefte aan een bedrijfskrediet en in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, in verband met een op te starten samenwerking van zijn bedrijf [naam bedrijf 1]’ met het bedrijf ‘[naam bedrijf 2]’.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College aan SBMO Consultants (SBMO) advies gevraagd over de levensvatbaarheid van het bedrijf van verzoeker. SBMO heeft op 21 december 2010 een adviesrapport uitgebracht. Daarin wordt onder meer geconcludeerd dat de combinatie van een vacaturebank met aanvullende diensten op het gebied van human resource zoals het uitzenden van personeel, payrolling, werving & selectie en opleiding in Nederland niet uniek is, dat de huidige aanbieders in de markt veel concurrentievoordelen hebben ten opzichte van verzoeker en dat de kredietbehoefte van het bedrijf te groot is.

1.3. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het College conform het advies van SBMO de aanvraag van verzoeker afgewezen op de grond dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.

1.4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2011. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het College aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) advies gevraagd over de levensvatbaarheid van het bedrijf van verzoeker. Het IMK heeft op 20 april 2011 een adviesrapport uitgebracht. Het IMK voorziet een behoorlijke aanloopperiode voor de bedrijfsactiviteiten, terwijl er sprake is van een urgente liquiditeitsdruk, en concludeert dat er onvoldoende perspectief is voor het bedrijf van verzoeker. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 7 januari 2011, onder verwijzing naar de rapporten van SBMO en het IMK, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doende in de hoofdzaak, het beroep tegen het besluit van 26 mei 2011 ongegrond verklaard, en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt tot toekenning van een Bbz-uitkering voor zes maanden voor levensonderhoud, en een bedrijfskapitaal van € 15.000,--.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Met betrekking tot het spoedeisend karakter van zijn verzoek heeft verzoeker aangevoerd dat hij over onvoldoende inkomsten beschikt voor de bestrijding van de noodzakelijke kosten van het bestaan en dat door de opstelling van het College en SBMO en het IMK sprake is van (steeds verder) oplopende schulden.

4.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker en zijn echtgenote vanaf 8 november 2010 bijstand in de vorm van een geldlening ontvangen naar de norm voor gehuwden. Hieruit volgt dat verzoeker op dit moment beschikt over voldoende inkomsten voor de bestrijding van de noodzakelijke kosten van het bestaan, zodat geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een spoedeisende voorziening in de vorm van een Bbz-uitkering (voor zes maanden) vereist.

4.4. Mede gelet op de toelichting van verzoeker ter zitting op zijn schuldenpositie, en op de door hem gestelde noodzaak om op zeer korte termijn, met behulp van het door hem gewenste krediet of een substantieel gedeelte daarvan, een start te kunnen maken met zijn bedrijf, acht de voorzieningenrechter het bij het resterende verzoek om voorlopige voorziening betrokken belang voldoende spoedeisend.

4.5. De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Voor zover de beoordeling van het onderhavige verzoek meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.6. De voorzieningenrechter ziet met de voorzieningenrechter van de rechtbank in hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht geen grond om te twijfelen aan de conclusies van SBMO en het IMK. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de rapporten van SBMO en het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, feitelijke onjuistheden bevatten of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Mede gelet op de toelichting van de gemachtigde van het College ter zitting over de gang van zaken rond de inschakeling van het IMK tijdens de bezwaarfase, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de opsteller van het IMK-rapport. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen objectiveerbare gegevens, zoals een deskundig tegenadvies, heeft overgelegd die zijn stelling dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen. De door verzoeker naar voren gebrachte eigen (optimistische) verwachtingen omtrent de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf vormen onvoldoende basis voor het toekennen van algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Aan de in hoger beroep ingenomen stelling dat de basis van een succesvol concept inmiddels is gelegd gaat de voorzieningenrechter voorbij, nu voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf bepalend is de situatie van het bedrijf ten tijde van (het besluit op) de aanvraag. Bovendien is de ontwikkeling van het bedrijf [naam bedrijf 2] niet mede gerealiseerd door (het bedrijf van) verzoeker nu hij, zoals hij ter zitting heeft erkend, in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de onder 4.5 geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord.

4.7. Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter dat hij geen aanleiding heeft gezien gebruik te maken van de in artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, als sprake is van een situatie waarin nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. In dit kader is van belang dat verzoeker in september 2011 bij het IMK een klacht heeft ingediend over het, zoals hij stelt, niet-onafhankelijk en ondeskundig verrichte onderzoek door het IMK. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat een gesprek hierover bij het IMK zal plaatsvinden op 26 oktober 2011. Nu de uitkomst van deze klachtenprocedure nog niet vaststaat en verzoeker deze uitkomst wellicht nog zal willen inbrengen in de bodemprocedure, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gesteld worden dat sprake is van een situatie waarin nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak.

4.8. Ter voorlichting van verzoeker wijst de voorzieningenrechter op de mogelijkheid om, nadat het IMK een standpunt heeft ingenomen over de klacht van verzoeker, de Raad te verzoeken de bodemzaak versneld te behandelen.

4.9. Gelet op hetgeen overwogen is in 4.3 tot en met 4.6 is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter ziet voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

RH