Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
10-3257 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen recht meer op ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. De verzekeringsarts en de bvahebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en op verantwoorde wijze hebben geconcludeerd dat appellant op die datum niet buiten staat was zijn werk te verrichten. De door overbelasting tijdens het werk veroorzaakte schouderklachten waren bij onderzoek door de verzekeringsarts verdwenen en verder was de arbeid volgens de bezwaarverzekeringsarts niet te rugbelastend voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3257 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ?s-Gravenhage van 28 april 2010, 09/7204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.H. Stibbe, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Stibbe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 10 november 2008 wegens klachten van de rechterschouder uitgevallen voor zijn werk als stucadoor bij [naam werkgever], bij welke werkgever hij tot 25 maart 2009 in dienst was.

2. Bij besluit van 13 juli 2009 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 20 juli 2009 geen ziekengeld meer werd uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 2 september 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juli 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts uitgebrachte rapporten. De rechtbank zag geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat van de kant van appellant geen nadere medische informatie in het geding was gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Op het ingebrachte journaal van de huisarts was naar het oordeel van de rechtbank afdoende gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en op verantwoorde wijze hebben geconcludeerd dat appellant op die datum niet buiten staat was zijn werk te verrichten. De door overbelasting tijdens het werk veroorzaakte schouderklachten waren bij onderzoek door de verzekeringsarts verdwenen en verder was de arbeid volgens de bezwaarverzekeringsarts niet te rugbelastend voor appellant.

5.2. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep onder verwijzing naar nader ingebrachte medische gegevens heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Zoals het Uwv bij verweerschrift heeft opgemerkt is uit de door appellant bij het beroepschrift overgelegde brieven van medische specialisten op te maken dat geen afdoende verklaring voor appellants klachten is gevonden. De bij brief van 28 september 2011 ingebrachte medische gegevens hebben enerzijds geen betrekking op de datum in geding en werpen anderzijds geen ander licht op appellants gezondheidstoestand op die datum.

5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.