Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1906

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
10-2002 WIA + 10-2003 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geen recht op WIA-uitkering, omdat appellante de wachttijd niet heeft volbracht. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante meer of anders beperkt is dan in de FML is vastgelegd. Beperkingen als gevolg van CVS/ME zijn niet onderschat. ZW-uitkering is terecht beëindigd. Daarmee staat vast dat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde voor het ontstaan van recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2002 WIA, 10/2003 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 februari 2010, 08/3484 en 08/3485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2011. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die vanaf 2001 werkzaam was als administratief medewerkster op het assurantiekantoor van haar ouders voor 22 uur per week, heeft zich per 11 april 2006 ziek gemeld vanwege vermoeidheidsklachten en zwangerschapsgerelateerde klachten. Met ingang van 1 september 2006 is haar dienstverband geëindigd. Gedurende de periode van 13 oktober 2006 tot en met 31 januari 2007 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) ontvangen. In aansluiting hierop heeft appellante zich op 1 februari 2007 ziek gemeld wegens toegenomen vermoeidheid, deels ten gevolge van de bevalling.

1.2. Naar aanleiding van laatstgenoemde ziekmelding heeft appellante twee maal het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op 5 mei 2008. De verzekeringsarts M.H.G.M. Zweipfenning komt na onderzoek tot de conclusie dat appellante als gevolg van een chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), enkelklachten rechts en rug/gewrichtsklachten beperkingen heeft bij het verrichten van arbeid. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 mei 2008. Op basis hiervan heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante geschikt is voor haar volledige maatmanfunctie als administratief medewerkster.

1.3. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2008 appellante meegedeeld dat zij per 5 juni 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 22 augustus 2008 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 mei 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 20 augustus 2008, ongegrond verklaard.

1.4. Op 10 april 2008 heeft appellante een aanvraag voor een uitkering ingevolgde de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij de wachttijd niet heeft volbracht. Bij besluit van 22 augustus 2008 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen respectievelijk bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat zij als gevolg van CVS/ME meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. Appellante stelt verder nog dat door de behandelend sector de diagnose fibromyalgie is gesteld. Appellante is van mening dat voornoemde ziekten aanleiding moeten zijn om haar niet geschikt te achten voor haar “eigen arbeid”.

4.1. Ten aanzien van bestreden besluit 1 overweegt de Raad als volgt.

4.2. De Raad ziet geen redenen om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar de beperkingen van appellante. Met de beperkingen van appellante is genoegzaam rekening gehouden in de FML. De Raad vindt in het dossier geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante meer of anders beperkt is dan in de FML van 5 mei 2008 is neergelegd. Wat betreft de door appellante vermelde diagnose fibromyalgie merkt de Raad op dat hierover geen medische gegevens zijn overgelegd. Appellante heeft haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat haar beperkingen als gevolg van CVS/ME zijn onderschat ook overigens niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv op goede gronden de conclusie heeft getrokken dat appellante met ingang van 5 juni 2008 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten en dat zij derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld.

4.3. Met betrekking tot bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

4.4. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA kan de verzekerde pas aanspraak maken op een uitkering op grond van die wet nadat een wachttijd van 104 weken is verstreken. Hiervoor is in overweging 4.2 geoordeeld dat de ZW-uitkering terecht per 5 juni 2008 is beëindigd. Daarmee staat vast dat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde voor het ontstaan van recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Het Uwv heeft derhalve terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.