Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
11-878 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering, omdat appellante (...) hersteld was te achten. Appellante was geschikt tot het verrichten van ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies per datum in geding. Voldoende zorgvuldig en volledig onderzoek door de bva. De in hoger beroep overgelegde medische informatie kan de Raad niet overtuigen dat (appellante) op de datum in geding meer beperkt was dan door de bva is aangenomen. Overschrijding redelijke termijn:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/878 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2010, 10/251 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 mei 2011 heeft mr. C.A. Madern, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Bij brieven van 30 juni, 19 juli en 29 augustus 2011 is namens appellante nadere informatie naar voren gebracht. Het Uwv heeft gereageerd bij brieven van 4 juli en 26 juli 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2011. Namens appellante is verschenen mr. Madern. Het Uwv is met bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster en is op 19 januari 2004 uitgevallen wegens lichamelijke en geestelijke klachten. Ten behoeve van een beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is zij gezien door een verzekeringsarts en zijn de aangenomen beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 januari 2006. Vervolgens is de arbeidsdeskundige op grond van een theoretische schatting tot de conclusie gekomen dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is. Bij besluit van 12 mei 2006 is aan appellante per 16 januari 2006 een uitkering ingevolge de Wet WIA geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard en de Raad heeft deze uitspraak bevestigd in zijn uitspraak van 27 november 2009 (08/3240 WIA, LJN BK5145). Door deze uitspraak van de Raad staan de juistheid van de FML en van de geduide functies in rechte vast.

1.2. Per 25 september 2006 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld en is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het Uwv deze uitkering beëindigd, omdat appellante met ingang van 10 oktober 2006 hersteld was te achten.

1.3. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 26 oktober 2006, niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij, na daartoe te zijn uitgenodigd, niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts.

1.4. Bij uitspraak van 30 juni 2008 is het tegen het besluit van 28 juni 2007 gerichte beroep van appellante door de rechtbank gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

1.5. In hoger beroep heeft de Raad in zijn uitspraak van 21 oktober 2009 (08/4222 ZW, LJN BK0982) de uitspraak van de rechtbank van 30 juni 2008 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.6. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapportage bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg van 7 december 2009, geconcludeerd dat appellante zich per 10 oktober 2006 weer in dezelfde medische situatie bevond als op 31 januari 2006, waarmee zij belastbaar was conform de FML van die datum en derhalve geschikt voor de in dat kader geduide functies. Bij besluit van 9 december 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 26 oktober 2006, ongegrond verklaard en bepaald dat appellante na 10 oktober 2006 geen recht heeft op ziekengeld.

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel over de toestand van appellante per 10 oktober 2006 te komen. De rechtbank vindt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest of dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de in het dossier aanwezige medische informatie. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die de rechtbank aanleiding geven om te twijfelen aan de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts. Het is de rechtbank niet gebleken dat de (psychische) beperkingen van appellante zijn onderschat.

2.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 april 2009, LJN BI3426, heeft de rechtbank aan appellante een schadevergoeding toegekend van € 167,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) met twee maanden.

3.1. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij haar aanwezige beperkingen tengevolge van haar medische klachten dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij in staat kan worden geacht tot het verrichten van een van laatstelijk in het kader van de Wet WIA geduide functies en dat de rechtbank ten onrechte de overschrijdingen van de belastbaarheid heeft geaccepteerd.

3.2. Ter zitting heeft appellante verzocht aan haar een schadevergoeding toe te kennen in verband met een overschrijding in deze procedure van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 EVRM

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat de stellingen van appellante in hoger beroep ten aanzien van haar beperkingen en medische klachten neerkomen op een herhaling van hetgeen appellante reeds in beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen inzake de geschiktheid van appellante tot het verrichten van ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies per datum in geding. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie kan de Raad niet overtuigen dat zij op de datum in geding meer beperkt was dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 4.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.4. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.5. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009 is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.6. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 31 oktober 2006 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 11 maanden overschreden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen steeds minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De overschrijding komt derhalve in haar geheel voor rekening van het Uwv. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriele schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellante geleden immateriele schade moet worden vastgesteld op een bedrag van twee maal € 500,-, dat is € 1000,-.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad – met vernietiging van de aangevallen uitspraak – het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 9 december 2009 zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 1000,-.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1748,- .

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 december 2009;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 1000,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1748,- ;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 152,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.