Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
10-6279 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gegevens ingebracht die erop wijzen dat hij zich binnen vijf jaar nadat de schade bij hem bekend was tot het Uwv heeft gewend. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant om wettelijke rente uit te betalen terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6279 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2010, 10/1519 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, in hoger beroep gekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2011, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft met ingang van 10 juni 2002 de uitkering van appellant op grond van de Werkloosheidswet (WW) beëindigd omdat appellant door ziekte niet langer beschikbaar was voor arbeid. Vervolgens heeft het Uwv appellant bij brief van 31 oktober 2003 meegedeeld dat besloten is de betaling van de WW-uitkering ingaande 10 juni 2002 voort te zetten. Bij besluit van 3 november 2003 is de WW-uitkering met ingang van 2 september 2002 voortgezet. Op 3 december 2003 en op 9 december 2003 heeft het Uwv nabetalingen verricht.

1.2. Bij brief gedateerd 1 april 2009, door het Uwv ontvangen per fax op 23 juni 2009, heeft appellant het Uwv een verzoek gedaan tot betaling van wettelijke rente over de nabetaling van zijn WW-uitkering. Bij besluit van 26 november 2009 heeft het Uwv het verzoek afgewezen omdat in juni 2009 de verjaringstermijn voor een dergelijk verzoek al geruime tijd was verstreken. Bij besluit van 21 april 2010 ( bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe dat bij de beoordeling van de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade, in dit geval bestaande uit vergoeding van wettelijke rente over de nabetalingen van de WW-uitkering van appellant, waarbij de verplichting tot schadevergoeding niet berust op een administratieve bepaling, maar is gebaseerd op een onrechtmatige daad van een bestuursorgaan, aansluiting kan worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Uit een oogpunt van rechtszekerheid dient er daarbij van uit te worden gegaan dat de in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde verjaringstermijn van vijf jaren een aanvang neemt op het tijdstip waarop de onrechtmatigheid van het besluit waarop het verzoek om schadevergoeding is gegrond, onherroepelijk vaststaat.

Volgens de rechtbank is de verjaringstermijn een dag na de verzending van de brief van 31 oktober 2003 van het Uwv aangevangen, met welke brief is komen vast te staan dat het Uwv aan appellant ten onrechte geen WW-uitkering heeft betaald vanaf 10 juni 2002. Van een eerder gedaan verzoek van appellant om wettelijke rente dan bij brief van 1 april 2009 is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er dan ook voor worden gehouden dat appellant ruim na het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaar heeft verzocht om wettelijke rente.

3. In hoger beroep blijft appellant zich op het standpunt stellen dat hij het Uwv eerder dan in juni 2009 meerdere malen te kennen heeft gegeven dat hij zich niet kon verenigen met het feit dat er geen wettelijke rente is betaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank zoals die onder 2 zijn weergegeven. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gegevens ingebracht die erop wijzen dat hij zich binnen vijf jaar nadat de schade bij hem bekend was tot het Uwv heeft gewend. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant om wettelijke rente uit te betalen terecht heeft afgewezen.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.