Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
11-5728 AW-VV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BR4418
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5728 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2011, 10/3576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 24 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de dienst Justitiële Inrichtingen, laatstelijk als teamleider bij de penitentiaire inrichting [PI.]. Bij besluit van 28 januari 2010 heeft verzoeker aan betrokkene onvoorwaardelijk strafontslag verleend met onmiddellijke ingang, wegens - kort gezegd - een integriteitsbreuk. Het ontslag is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 27 juli 2010.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de gedragingen van betrokkene inderdaad moeten worden aangemerkt als plichtsverzuim dat hem kan worden toegerekend. De rechtbank heeft echter ook overwogen dat de gedragingen geen onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigen van een medewerker met een dienstverband van 21 jaar en een onberispelijke staat van dienst. Om die reden heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Verzoeker heeft de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet hoeft te voldoen aan deze opdracht van de rechtbank. Daarbij heeft verzoeker aangevoerd dat terugkeer op de werkvloer van betrokkene tot grote onrust en spanningen zal leiden binnen de PI en dat aan de veiligheid van de inrichting en de integriteit van medewerkers een doorslaggevende betekenis toekomt. Opgemerkt wordt nog dat betrokkene in de bezwaar- en beroepsfase heeft aangegeven zelf ook niet terug te willen in verband met een andere baan.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien overwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Weliswaar brengt de aangevallen uitspraak herstel van het dienstverband met zich mee, maar uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt dat betrokkene zijn werkzaamheden bij [de PI.] niet wil hervatten, ook omdat hij inmiddels elders werkt. De opmerkingen van verzoeker in het verzoek om voorlopige voorziening onderstrepen dat. Wel heeft betrokkene aangeven dat hij vergoeding wil van geleden materiële en immateriële schade, maar ook daarin ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker gelegen. De voorzieningenrechter voegt daaraan nog toe dat als betrokkene zich in de toekomst tot verzoeker mocht wenden om toch uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank, verzoeker op dat moment opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan indienen.

4.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.

RH