Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10-2239 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. (Ook) de Raad acht daarbij met name van belang de door appellant afgelegde verklaringen tegenover de regiopolitie IJsselland op 13 april 2005 en op 8 oktober 2008 ten overstaan van de sociale recherche Zwolle e.o. (...) Hetgeen appellant heeft verklaard vindt bovendien steun in de door [B.] afgelegde verklaring op 8 oktober 2008 en de verklaringen van de directe buren, alsmede in de in de aangevallen uitspraak opgenomen mutaties uit het Blue View-systeem van de regiopolitie IJsselland in april 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2239 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 maart 2010, 09/827 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 september 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Mevrouw [B.] ontving sinds 17 februari 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een telefonische melding op 14 februari 2008 door de regiopolitie IJsselland van een vermoedelijke samenwoning van [B.] met [Br.] sinds medio zomer 2006 heeft de sociale recherche van de gemeente Ommen een onderzoek ingesteld. Uit informatie van de regiopolitie IJsselland is tevens naar voren gekomen dat [B.] mogelijk ook een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. De sociale recherche heeft na onderzoek op 28 oktober 2008 rapport uitgebracht.

1.2. Het College heeft daarin aanleiding gevonden om bij besluit van 12 december 2008, voor zover hier van belang, de bijstand van [B.] te herzien (lees: in te trekken) over de periode van 1 mei 2004 tot 17 september 2005 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.891,75 bruto van haar terug te vorderen. Het besluit berust op de overweging dat [B.] zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant.

1.3. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 12 december 2008 heeft het College appellant meegedeeld dat dit bedrag mede van hem wordt teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat hij in de periode van 1 mei 2004 tot 17 september 2005 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.]. Zijn verklaring tegenover de regiopolitie zag niet op de aard van de relatie tussen hem en [B.] en de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring was te warrig en weinig consistent. Weliswaar heeft [B.] tijdens haar verhoor op 8 oktober 2009 erkend dat appellant regelmatig bij haar kwam, maar daaruit kan zijns inziens nog niet worden afgeleid dat hij zijn hoofdverblijf in haar woning had, laat staan dat hij met [B.] een gezamenlijke huishouding zou voeren. Bovendien is appellant van mening dat de bevindingen tijdens stelselmatige observaties in deze procedure niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt, omdat deze observaties zonder toestemming van de Officier van Justitie hebben plaatsgevonden. Ten slotte is appellant van oordeel dat aan de verklaringen van de buren geen beslissende betekenis kan worden toegekend. In een situatie waarin iemand regelmatig bij een ander thuis komt, kan bij buurtbewoners gemakkelijk ten onrechte de indruk ontstaan dat sprake is van samenwoning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding is de vraag aan de orde of ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Voor de vaststelling dat in dit geval appellant die persoon is, is allereerst van belang of [B.] met appellant in de periode van 1 mei 2004 tot 17 september 2005 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

4.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellant en [B.] van 1 mei 2004 tot 17 september 2005 hun hoofdverblijf hadden in de woning van [B.] aan de [adres 1] te [gemeente] en dat zij tevens blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Ook de Raad acht daarbij met name van belang de door appellant afgelegde verklaringen tegenover de regiopolitie IJsselland op 13 april 2005 en op 8 oktober 2008 ten overstaan van de sociale recherche Zwolle e.o. De verklaringen zijn gedetailleerd en zien uitsluitend op de feitelijke situatie op het adres van [B.] in de periode vanaf 1 mei 2004. Hetgeen appellant heeft verklaard vindt bovendien steun in de door [B.] afgelegde verklaring op 8 oktober 2008 en de verklaringen van de directe buren, alsmede in de in de aangevallen uitspraak opgenomen mutaties uit het Blue View-systeem van de regiopolitie IJsselland in april 2005.

4.5. Aangezien in hetgeen onder 4.4 is overwogen reeds een toereikende grondslag is gelegen voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding ten tijde in geding kan en zal de Raad de vraag of hier sprake was van stelselmatige observaties waarvoor toestemming van de Officier van Justitie zou zijn vereist en of die observaties zonder de vereiste toestemming kunnen bijdragen aan het bewijs hier in het midden laten.

4.6. Gelet op het voorgaande moet met de rechtbank worden geoordeeld dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [B.]. Nu [B.] hiervan geen melding heeft gemaakt bij het College heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden, zodat het College met toepassing van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd was de kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

4.7. Tegen de wijze waarop het College van de bevoegdheid tot medeterugvordering gebruik heeft gemaakt heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NW