Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
11-1361 WOJ-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bjz heeft het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Bjz dient een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek, met betrekking tot de ingangsdatum pleegzorgvergoeding. De Raad draagt Bjz het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1361 WOJ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Haarlem van 15 februari 2011, 174701/10-3501 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: Bjz).

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Bjz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Klaas. Bjz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 6 maart 2010 [pleegkind], geboren [in] 1994, in huis genomen. Bjz is verzocht een indicatiebesluit te nemen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) voor verblijf van [pleegkind] bij een pleegouder.

1.2. Op 6 mei 2010 heeft Bjz het indicatiebesluit genomen. Hierin is bepaald dat [pleegkind] is aangewezen op jeugdzorg in de vorm van verblijf bij pleegouder 24 uurs. Als zorgaanbieder is OCK het Spalier en als netwerkpleeggezin is appellante aangewezen.

1.3. Bij brief van 16 augustus 2010 heeft appellante Bjz verzocht ervoor zorg te dragen dat de indicatiestelling op 6 maart 2010 ingaat, omdat zij feitelijk vanaf die datum pleegzorg biedt aan [pleegkind]. Aanleiding voor het verzoek is dat appellante eerst naar aanleiding van de betaling van de pleegzorgvergoeding is gebleken dat de indicatie op 6 mei 2010 is ingegaan. Van de zorgaanbieder heeft zij vernomen dat voor een eerdere ingangsdatum van de pleegzorgvergoeding een eerdere ingangsdatum van de indicatie nodig is.

1.4. Bij schrijven van 3 september 2010 heeft Bjz appellante bericht geen gronden aanwezig te achten om het indicatiebesluit bij te stellen naar 6 maart 2010.

1.5. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Volgens haar zijn er wel degelijk gronden voor een herziening van de indicatie of voor het afgeven van een nieuwe indicatie, omdat de feitelijke pleegzorg op 6 maart 2010 is ingegaan en zij begin maart 2010 heeft verzocht om indicatie en pleegzorgvergoeding.

1.6. Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft Bjz het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens Bjz wordt in de brief van 3 september 2010 enkel een toelichting gegeven op het indicatiebesluit. Deze brief is volgens Bjz niet gericht op rechtsgevolg en daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de brief van Bjz van 3 september 2010 een afwijzing van het verzoek om herziening inhield, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en waarop Bjz inhoudelijk had dienen te beslissen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de Wjz.

4.2. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

4.3. De Raad is met appellante, en anders dan Bjz, van oordeel dat het verzoek van appellante een verzoek als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb inhoudt. De brief van Bjz van 3 september 2010 kan, gelet ook op de afsluiting daarvan, niet anders dan als een afwijzing van dat verzoek worden aangemerkt, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Bjz had dan ook inhoudelijk op dit bezwaar dienen te beslissen in plaats van dit niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, evenals het besluit van

14 oktober 2010 waarin Bjz het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet Bjz op te dragen het gebrek in het besluit van

14 oktober 2010 te herstellen. Bjz dient hiertoe een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt Bjz op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 14 oktober 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) J. van Dam.

NW