Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1593

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10-3798 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening (intrekking) en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante en betrokkene (...) hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en dat zij tevens blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Ook de Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de door betrokkene op twee verschillende data, te weten op 4 februari 2009 tegenover de opsporingscontroleurs van de SVB en op 9 april 2009 tegenover de sociale rechercheurs van de gemeente Almere, afgelegde en ondertekende verklaringen, die zeer gedetailleerd en consistent zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3798 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 juni 2010, 09/1864 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. van Dijk, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011.Voor appellante is verschenen mr. Van Dijk. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 2 juli 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) dat uit hun onderzoek, neergelegd in het handhavingsrapport SVB van 9 februari 2009, is gebleken dat appellante met [P.] (hierna: [P.]) in de periode van 26 maart 2008 tot en met 8 februari 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, heeft de sociale recherche van de gemeente Almere nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Dit onderzoek bestond onder meer uit dossieronderzoek, het opvragen van gegevens bij verschillende instanties, waaronder bij Vitens, Nuon en GBA, huisbezoek bij appellante en het verhoor van appellante en [P.]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche gemeente Almere van 2 juni 2009.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 30 juni 2009 de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2008 tot en met 8 februari 2009 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 11.220,05 van haar terug te vorderen en mede terug te vorderen van [P.]. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, door niet te melden dat zij in de periode van 1 april 2008 tot en met 9 februari 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [P.], met als gevolg dat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande in deze periode.

1.4. Bij besluit van 10 september 2009 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard, wel is de hoogte van de terugvordering in neerwaartse zin bijgesteld op een bedrag van € 2.393,01 door alsnog rekening te houden met de norm voor gehuwden die over de in hier in geding zijnde periode zou zijn verstrekt als appellante aan haar inlichtingenverplichting zou hebben voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat nooit van enige vorm van samenwonen of samenleven sprake is geweest. Het enige bewijs is de verklaring van de heer [P.], ander bewijs is er niet. Verder had [P.] een eigen woonruimte en uit de gegevens van gas, licht en water blijkt juist niet dat er in de periode hier in geding meer is verbruikt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend.

4.2. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient, eveneens naar vaste rechtspraak, te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [P.] in de periode van 1 april 2008 tot en met 8 februari 2009 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en dat zij tevens blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Ook de Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de door [P.] op twee verschillende data, te weten op 4 februari 2009 tegenover de opsporingscontroleurs van de SVB en op 9 april 2009 tegenover de sociale rechercheurs van de gemeente Almere, afgelegde en ondertekende verklaringen, die zeer gedetailleerd en consistent zijn. Deze verklaringen vinden bovendien op hoofdlijnen steun in de door appellante op 9 april 2009 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaring. De Raad acht daarbij verder van belang dat uit de handhavingsrapportage van de SVB van 9 februari 2009 blijkt dat tijdens het huisbezoek in de woning van appellante op 4 februari 2009 ook [P.] aanwezig was. In de toen ingevulde checklist, die daarna door beiden is ondertekend, heeft [P.] aangegeven dat zijn persoonlijke spullen, zoals verzekeringspapieren en kleding, bij appellante in een kast liggen en dat hij gebruik mag maken van de gehele woning. Als elementen van wederzijdse zorg kunnen verder worden genoemd dat [P.] de maaltijden voor beiden klaarmaakt en ook het eten voor beiden betaalt, dat appellante de boodschappen en het huishouden doet, alsook de was voor [P.]. Bovendien heeft [P.] appellante verzorgd tijdens haar ziekte.

4.4. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het College gemeld dat zij een gezamenlijke houdhouding voerde met [P.]. Als gevolg daarvan is haar vanaf 1 april 2008 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Appellante was immers geen zelfstandig subject van bijstand. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de bijstand over de periode van 1 april 2008 tot en met 8 februari 2009 in te trekken. Appellante heeft de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.5. De terugvordering zal verder buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

4.6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NW