Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10-1797 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toekenning bijstand. Anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellanten niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat zij niet eerder dan op 28 april 2009 een aanvraag om algemene bijstand ingevolge de WWB hebben ingediend. Dat de uiteenlopende berichtgeving, besluitvorming en betalingen van de zijde van het UWV ten tijde hier van belang voor appellanten bepaald onduidelijk en verwarrend kunnen zijn geweest, lijdt voor de Raad geen twijfel, te meer nu het aanvankelijk kennelijk ook voor (professionele) medewerkers van het UWV en de gemeente de nodige moeite heeft gekost de zaken op een rijtje te krijgen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/250
RSV 2011/356
USZ 2011/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1797 WWB

10/1798 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2010, 09/4907 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Voor appellanten is mr. Van Diepen verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving over de periode van 18 september 2006 tot 12 oktober 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Aansluitend zijn hem door het UWV voorschotten ingevolge de Ziektewet uitbetaald tot en met 15 maart 2009. Bij brief van 9 maart 2009 is appellant meegedeeld dat hem met ingang van maart 2009 een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend van € 963,96 netto per maand. In een viertal brieven van 23 maart 2009 zijn appellant vervolgens mededelingen gedaan over de nabetaling en verrekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 18 september 2006 tot 24 april 2007, een afwijzing van een ziektewetuitkering per 24 april 2007 en een beëindiging van de uitkering ingevolge de Toeslagenwet per laatstgenoemde datum. Op 27 maart 2009 zijn voorts bedragen van € 438,71 en € 662,56 op zijn bankrekening overgemaakt uit hoofde van nabetaling WAO/WIA.

1.2. Op 28 april 2009 heeft appellant zich gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het College aan appellanten met ingang van 28 april 2009 bijstand toegekend naar de gehuwdennorm. Appellanten hebben tegen de ingangsdatum van de bijstand bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 15 september 2009 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 september 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het standpunt van het College onderschreven dat niet valt in te zien dat appellanten zich niet eerder dan op 28 april 2009 hadden kunnen melden voor een bijstandsuitkering, terwijl voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

Zij hebben daartoe, samengevat, aangevoerd dat zij door de onduidelijke berichtgeving over (na)betalingen van diverse uitkeringen door het UWV het spoor bijster zijn geraakt en dat desgevraagd van de zijde van het UWV geen volledige helderheid is verkregen en dat pas later, toen duidelijk werd dat door het UWV geen betalingen meer werden gedaan, een aanvraag om bijstand is ingediend omdat niet meer in de noodzakelijke bestaanskosten kon worden voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het Centrum voor werk en inkomen (thans het UWV) heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2. Anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellanten niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat zij niet eerder dan op 28 april 2009 een aanvraag om algemene bijstand ingevolge de WWB hebben ingediend. Dat de uiteenlopende berichtgeving, besluitvorming en betalingen van de zijde van het UWV ten tijde hier van belang voor appellanten bepaald onduidelijk en verwarrend kunnen zijn geweest, lijdt voor de Raad geen twijfel, te meer nu het aanvankelijk kennelijk ook voor (professionele) medewerkers van het UWV en de gemeente de nodige moeite heeft gekost de zaken op een rijtje te krijgen. De Raad verwijst in dit verband naar het intakeverslag opgemaakt naar aanleiding van de door appellante ingediende bijstandsaanvraag, waaraan het volgende wordt ontleend: “ (…) Meneer komt met zijn echtgenote voor de WWB, na een aantal keren bellen en een hele stapel onduidelijke brieven van het UWV zijn we er uit gekomen. (…) Het was voor meneer A.B. van het UWV ook een hele klus om te achterhalen hoe deze zaak in elkaar zit. (…)”. Dit gegeven, gevoegd bij de onder 1.1 vermelde brieven, waarvan met name die van 9 maart 2009, waaruit tevens zou kunnen worden afgeleid dat hem vanaf die datum - voorlopig - maandelijkse voorschotten op een arbeidsongeschiktheidsuitkering worden verstrekt, en de nog in maart 2009 gedane betalingen, vormen voldoende verklaring én rechtvaardiging voor het feit dat appellanten nog tot in ieder geval de eerstvolgende reguliere betaaldatum van de maandelijkse uitkeringen/voorschotten van het UWV (rond 20 april 2009 of daaromtrent) hebben gewacht om een bijstandsaanvraag in te dienen. Mede in aanmerking genomen dat het College bij de toekenning van bijstand met terugwerkende kracht als beleid of bestendige gedragslijn hanteert dat in beginsel binnen een week na ontvangst van een afwijzende beslissing van het UWV - waarmee de situatie van uitblijven van betalingen na de reguliere betaaldatum op één lijn kan worden gesteld - de bijstandsaanvraag moet zijn gedaan, brengt dit de Raad tot de slotsom dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.3. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep gericht tegen de ingangsdatum ongegrond is verklaard, niet in stand kan blijven. Het beroep tegen het besluit van 15 september 2009 is in zoverre gegrond en dit besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij de ingangsdatum van de bijstand is gehandhaafd.

4.4. Gelet op het voorgaande, en uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting, zal de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad zal daartoe het besluit van 30 juni 2009 herroepen voor wat betreft de ingangsdatum van de bijstand en die datum bepalen op 1 april 2009. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellanten voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij, mede gelet op de betalingen die in maart 2009 nog (deels als nabetaling) door het UWV zijn gedaan en het feit dat verdere betalingen in april 2009 van die zijde zijn uitgebleven, per 1 april 2009 in omstandigheden zijn komen te verkeren dat zij niet meer in de noodzakelijke kosten van het bestaan konden voorzien.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 september 2009, voor zover dat ziet op de ingangsdatum;

Herroept het besluit van 30 juni 2009 in zoverre en bepaalt dat de ingangsdatum van de bijstand wordt gesteld op 1 april 2009;

Veroordeelt het College in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.070,--;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

IJ