Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
09-5857 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand als gevolg van de intrekking van bijstand over een periode van overschrijding van de toegestane vakantietermijn in het buitenland en de periodes waarin appellant in detentie zat. Buitenwettelijk beleid inzake bijzondere bijstand voor woonlasten tijdens detentie houdt in dat tevoren, eventueel door familie, daartoe een aanvraag moet worden ingediend. Appellant heeft geen aanvraag ingediend. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5857 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats]m (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2009, 09/2239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Voor appellant is verschenen mr. Bouwman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Bij besluit van 10 december 2008 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd als gevolg van de intrekking van bijstand over een periode van overschrijding van de toegestane vakantietermijn in het buitenland en de periodes waarin appellant in detentie zat. Bij besluit van 23 april 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 april 2009 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat ten onrechte is overgegaan tot volledige terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periodes waarover de bijstand is ingetrokken, omdat mogelijk aanspraak zou bestaan op bijzondere bijstand voor de woonkosten gedurende de periodes van detentie. Voorts heeft appellant aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien. Deze dringende redenen zijn gelegen in de lichamelijke en psychische gevolgen die hij van de terugvordering ondervindt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad volgt appellant niet in de stelling dat bezien had moeten worden of er aanleiding bestond het bedrag van de terugvordering te verlagen met de bijzondere bijstand voor woonkosten tijdens de detentie. Het College heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat onderdeel van het buitenwettelijk beleid inzake bijzondere bijstand voor woonlasten tijdens detentie inhoudt dat tevoren, eventueel door familie, daartoe een aanvraag moet worden ingediend. Vaststaat dat appellant geen aanvraag heeft ingediend, zodat reeds hierom terecht geen grond bestaat om de terugvordering te verlagen.

4.2. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen in de zin van dit beleid is sprake als de terugvordering leidt tot onaanvaardbare consequenties in relatie tot de geestelijke of lichamelijke gezondheid van de belanghebbende.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat de terugvordering heeft geleid tot diverse lichamelijke en psychische klachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij bij de rechtbank brieven van de huisarts overgelegd van 5 mei 2009 en 17 augustus 2009. In hoger beroep heeft appellant weer op deze informatie gewezen en zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een uitzonderlijk nijpende situatie.

4.4. De Raad is van oordeel dat de informatie van de huisarts onvoldoende objectieve aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat sprake was van dringende redenen als bedoeld onder 4.2. Uit de in beroep overgelegde brieven van de huisarts blijkt dat appellant last heeft van spanningsklachten. De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid van appellant heeft. De Raad wijst er ten slotte nog op dat bij de effectuering van de terugvordering de aflossingsbedragen zo zijn vastgesteld dat appellant blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

HD