Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10-2012 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van zijn aanvraag verbleef op het door hem opgegeven adres. Hij heeft niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2012 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 25 februari 2010, 10/342 en 10/662 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2011. Voor appellant is verschenen mr. Staal. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 2 november 2009 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor het indienen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft appellant meegedeeld dat hij op het adres [adres 1] in [gemeente] een kamer huurt, waarvoor hij een bedrag van € 350,-- per maand betaalt. In de gemeentelijke basisadministratie stonden op dit adres 9 personen ingeschreven. Het Team Handhaving van de gemeente Utrecht heeft vier maal op dit adres een huisbezoek afgelegd. Bij deze huisbezoeken is appellant drie maal niet aangetroffen. Voorafgaand aan het laatste huisbezoek op 7 december 2009 heeft met appellant een gesprek plaatsgevonden. Van dit gesprek is een verslag gemaakt. De bevindingen van de huisbezoeken zijn neergelegd in een rapport van 10 december 2009.

1.2. Bij besluit van 14 december 2009 heeft het College de aanvraag van appellant om bijstand afgewezen. Het College heeft het tegen het besluit van 14 december 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 14 februari 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de overweging dat appellant onjuiste inlichtingen omtrent zijn woonsituatie heeft verstrekt en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier van belang – het beroep tegen het besluit van 14 februari 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 2 november 2009 (de datum van de aanvraag) tot en met 14 december 2009 (de datum van het besluit op de aanvraag).

4.2. Voor de vaststelling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De vraag waar iemand woont, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen.

4.3. In het onderhavige geval gaat het om een aanvraagsituatie. De omstandigheid dat de aan appellant eerder toegekende bijstand is beëindigd vanwege een door het College verplicht gestelde deelname aan het Work First traject bij Apprenti, waardoor appellant na afsluiting van dit traject weer een nieuwe aanvraag moest indienen, maakt dit niet anders.

4.4. De Raad is van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat niet aannemelijk is dat appellant ten tijde van de aanvraag woonachtig was op het adres [adres 1] te [gemeente]. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant voorafgaande aan het huisbezoek van 7 december 2009 tijdens een gesprek heeft meegedeeld dat hij een kamer op de eerste etage aan de achterzijde van het huis ter beschikking heeft en dat deze kamer geen nummer heeft.

In deze kamer bevindt zich, volgens de verklaring van appellant, een éénpersoonsbed, een tafel en een kast die is ingebouwd in de muur, waarin zijn kleding zich bevindt. Ook staat er een laptop. Onmiddellijk voorafgaand aan het huisbezoek dat in aansluiting op het gesprek heeft plaatsgevonden, heeft appellant nog een gesprek met zijn huisbaas gevoerd. Tijdens het huisbezoek heeft appellant aan de medewerkers van het Team Handhaving meegedeeld dat de kamer op de eerste verdieping thans zijn kamer niet meer is, maar dat hij van zijn huisbaas een andere kamer op de tweede verdieping toegewezen heeft gekregen, zodat de medewerkers van het Team Handhaving in de kamer op de eerste verdieping niets te zoeken hebben. Tijdens het huisbezoek op de kamer op de tweede verdieping deelt appellant mee dat de in die kamer aangetroffen kleding niet van hem is, maar van de vorige bewoner. In de doucheruimte zijn voorts geen toiletartikelen of andere voorwerpen van appellant aangetroffen. Ook heeft appellant verklaard geen etenswaren in de koelkast te hebben staan. Gelet op deze bevindingen is het niet aannemelijk dat appellant woonde op het opgegeven adres. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de kamers, in tegenstelling tot hetgeen appellant tijdens zijn gesprek bij de gemeente had verklaard, genummerd waren.

4.5. Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat aan hem voor en na de thans in geding zijnde periode bijstand is verleend. In dat kader heeft het College wel aangenomen dat hij woonde op het adres [adres 1] te [gemeente]. De Raad ziet onvoldoende grond voor het oordeel dat het College hierin aanleiding had moeten zien de thans in geding zijnde afwijzing van de aanvraag te herroepen. Deze bijstandsverlening ziet immers op een andere periode en doet niet af aan de onderzoeksbevindingen die aan de thans in geding zijnde afwijzing ten grondslag zijn gelegd en op grond waarvan vastgesteld kan worden dat appellant in die periode niet woonde op het opgegeven adres. Met betrekking tot de latere toekenning van bijstand is voorts bekend dat het College een nieuw huisbezoek heeft afgelegd. Dat appellant in het kader van zijn wens om een broodjeszaak te vestigen veelvuldig contact heeft gehad met de gemeente, brengt de Raad ook niet tot een ander oordeel.

4.6. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van zijn aanvraag verbleef op het door hem opgegeven adres, heeft hij niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting. Hierdoor is niet vast te stellen of appellant ten tijde hier in geding verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Het College heeft de aanvraag van appellant dan ook terecht afgewezen.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. van Dam.

KR