Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10/3544 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appellant heeft geen opgave gedaan van ontvangen gelden. Er is sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3544 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2010, 09/3085 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 11 december 2003 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een onderzoek heeft het College vastgesteld dat appellant gelden heeft ontvangen voor het schrijven van artikelen voor de krant “[naam krant]”. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het College de bijstand over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 31 juli 2007 herzien op de grond dat appellant geen opgave had gedaan van deze ontvangen gelden en dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Bij dat besluit heeft het College ook de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6076,74 bruto van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 10 juni 2008 zijn de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 mei 2009, 08/2959, het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 10 juni 2008 vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrag van € 2.115,-- dat in augustus 2006 aan appellant was betaald als vergoeding voor via [naam krant] verkochte exemplaren van het boek “[naam boek]”, als een onkostenvergoeding is aan te merken. Ten aanzien van de overige door appellant ontvangen bedragen heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om onkostenvergoedingen. Daarom heeft de rechtbank deze bedragen, overeenkomstig het standpunt van het College, aangemerkt als inkomsten uit arbeid die appellant had moeten opgeven op de rechtmatigheids-formulieren. Doordat appellant dit laatste heeft verzuimd, was het College, aldus de rechtbank, bevoegd om tot herziening van de bijstand over te gaan.

1.5. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het College op 28 juli 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is het eerder genomen besluit gewijzigd in die zin dat de bijstand is herzien over de periode van 1 september 2006 tot en met 31 juli 2007, waarbij het terug te vorderen bedrag is bepaald op € 4.813,-- bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 juli 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Samengevat voert hij aan dat hij door zijn toenmalige advocaat verkeerd is geïnformeerd over de gevolgen van het niet in beroep gaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2009. Appellant had gehoord moeten worden met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Voorts betoogt appellant dat de verklaring van [W.] van 24 juni 2009 en het besluit van 8 april 2008 ten onrechte niet zijn meegenomen in de hernieuwde beoordeling in bezwaar en beroep. Ten slotte verwijt appellant de sociale dienst dat ze hem niet eerder hebben ingelicht over hun onderzoeksactiviteiten, zodat hij tijdig openheid van zaken had kunnen verschaffen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 mei 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de beroepsgronden van appellant verworpen, voor zover die betrekking hadden op de schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn werkzaamheden en inkomsten. Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. De Raad is van oordeel dat de uitzonderingssituatie, die maakt dat het instellen van hoger beroep niet van appellant gevergd had kunnen worden, zich in het onderhavige geval niet voordoet. Hierdoor is in rechte komen vast te staan dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten, die moeten worden beschouwd als op geld waardeerbare werkzaamheden, waaruit normaliter inkomsten kunnen worden verkregen. Dit betekent dat, anders dan appellant meent, deze punten in de procedure na die uitspraak van de rechtbank geen onderwerp van geschil meer kunnen zijn. Deze gevolgen van het niet instellen van hoger beroep, hoe ingrijpend die ook voor appellant kunnen zijn, komen voor zijn rekening en risico. Dat appellant door zijn advocaat in dit verband onjuist zou zijn voorgelicht, maakt dit niet anders, omdat het handelen en nalaten van zijn rechtshulpverlener evenzeer voor zijn rekening en risico komt.

4.2. Gelet hierop is de omvang van het geschil in hoger beroep thans beperkt tot de vraag of het College met het nadere besluit van 28 juli 2009 een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2009.

4.3. Het betoog van appellant dat hij opnieuw gehoord had moeten worden na de vernietiging van het besluit van 10 juni 2008, treft geen doel. De Raad verwijst daartoe allereerst naar zijn vaste rechtspraak inzake artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waaruit voor het bestuursorgaan in situaties als deze geen algemene verplichting voortvloeit. Weliswaar kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om de belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen, maar in dit geval deed zich een zodanige situatie niet voor, teminder nu geen onduidelijkheid bestond omtrent de resterende geschilpunten.

4.4. Daarnaast is de Raad van oordeel dat de verklaring van [W.], die de betalingen in verband met de werkzaamheden van appellant als onkosten aanmerkt, wel degelijk is betrokken in de beoordeling in tweede instantie in bezwaar en beroep. Hieraan is evenwel, gelet op de inhoud van het schrijven en het onherroepelijke oordeel over de aan appellant als inkomsten aan te merken vergoedingen, terecht een ander gewicht toegekend dan appellant daaraan gehecht wenst te zien.

4.5. Voorts is de Raad met het College en de rechtbank van oordeel dat het besluit van 8 april 2008, dat gaat over de weigering van het College om toestemming te verlenen voor het verrichten van vrijwilligerswerk bij [naam krant], op iets anders ziet dan het thans aan de orde zijnde besluit van 28 juli 2009, waarin de herziening en terugvordering wegens verzwegen inkomsten over een geheel andere periode centraal staat. Daarom hoefde het College het besluit van 8 april 2008 niet te betrekken bij de nadere besluitvorming.

4.6. Het betoog van appellant dat het College hem op de hoogte moest stellen van het onderzoek naar mogelijke fraude, faalt. Het College is op grond van artikel 53a, tweede lid, van de WWB immers bevoegd om zonodig een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens. De aard van dit onderzoek naar de rechtmatigheid van verleende bijstand en de verificatie daarvan brengen mee dat uitkeringsontvangers hierover als regel niet tevoren worden geïnformeerd.

4.7. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

HD