Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10-3286 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat de belastbaarheid van appellant met de FML van 10 februari 2010 op juiste wijze is vastgesteld. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3286 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Tunesië (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2010, 09/1849 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2011. Voor appellant is mr. Spek verschenen. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren was bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is in 1993 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling zijn in 2008 verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken verricht. Bij besluit van 4 december 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de WAO-uitkering wordt gewijzigd en met ingang van 11 juni 2009 zal worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 maart 2009 heeft het Uwv zijn besluit van 4 december 2008 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 19 maart 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat het Uwv een bezwaargrond onbesproken had gelaten en in beroep de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) had aangepast. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het besluit van 19 maart 2009 in stand gelaten, omdat naar haar oordeel is gebleken van een schatting op grond van het op appellant van toepassing zijnde Schattingsbesluit, er geen aanwijzingen zijn dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn beperkingen hebben onderschat en omdat voldoende is toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn te achten.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de FML geen juiste beschrijving geeft van zijn beperkingen en bovendien sprake is van zogenoemde ‘verborgen beperkingen’. Met zijn persoonlijkheidsstoornis is hij niet in staat een functie in een werkplaats of fabriek te vervullen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft hij bij zijn aanvullend hoger beroepschrift verklaringen ingebracht van een chirurg en een psychiater.

3.2. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts van 17 september 2010 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het door de gemachtigde van appellant bij brief van 6 september 2011 aan de Raad toegezonden stuk is na afloop van de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn ontvangen. De Raad zal dit stuk niet bij zijn beoordeling betrekken, temeer niet nu daarop van de zijde van het Uwv, die al had laten weten niet ter zitting vertegenwoordigd te zullen zijn, geen reactie is ontvangen.

4.2. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat niet langer ter discussie staat de wijze waarop de verzekeringsarts in de FML het verschil in de belastingsmogelijkheid van de linkerarm en -schouder en de rechterarm en -schouder tot uitdrukking heeft gebracht. Zij heeft voorts als haar visie gegeven dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt moeten worden geacht indien komt vast te staan dat met de FML van 10 februari 2010 een juiste beschrijving is gegeven van de belastbaarheid van appellant. Dat betekent dat met de in hoger beroep gehandhaafde beroepsgronden alleen ter discussie is gesteld of de medische beoordeling heeft geleid tot een juiste beschrijving van de beperkingen van appellant.

4.3. Volgens appellant hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn fysieke en psychische beperkingen onderschat. Hij ondervindt meer beperkingen aan nek, rug en schouders. Hij heeft last van angsten en is depressief. Zijn behandelend psychiater heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS) gediagnosticeerd.

4.4. Appellant heeft ter nadere onderbouwing van zijn stelling dat zijn fysieke beperkingen zijn onderschat een rapportage ingebracht van chirurg Ben Hamida Riadh van 20 juli 2010. In deze rapportage is vermeld dat appellant sinds januari 2009 wordt behandeld in verband met een cervicobrachialgie. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 17 september 2010 terecht opgemerkt dat de rapportage geen nieuwe gegevens bevat. Ten tijde van het opstellen en aanpassen van de FML beschikten de (bezwaar)verzekeringsartsen over het op verzoek van het Uwv opgestelde expertiserapport van orthopedisch chirurg A.E.B. Kleipool van 7 november 2008. De cervicobrachialgie die door chirurg Ben Hamida Riadh wordt behandeld is in deze rapportage van Kleipool al beschreven. Dat in verband daarmee verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen dan in de FML zijn verwoord, is de Raad niet gebleken.

4.5. Ter onderbouwing van de gestelde verdergaande psychische beperkingen heeft appellant verwezen naar de door hem ingebrachte rapportage van psychiater Chebil Ben Dhia van 22 juli 2010. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 17 september 2010 terecht erop gewezen dat uit de rapportage van psychiater Chebil Ben Dhia niet valt af te leiden dat van de door hem beschreven toestand van appellant en van de door hem benoemde PTSS, angsten en depressie al sprake was op de in dit geding relevante datum 11 juni 2009. Appellant is op verzoek van het Uwv voorafgaande aan de afschatting onderzocht door psychiater W.J. Lubberding. Uit zijn rapportage van 27 oktober 2008 blijkt dat deze psychiater geen psychiatrisch ziektebeeld heeft kunnen waarnemen. Volgens informatie van appellant was hij ten tijde van het onderzoek door Lubberding al jarenlang niet meer onder behandeling van een psychiater. Het door Lubberding geschetste beeld komt overeen met de waarnemingen van de verzekeringsarts bij zijn eigen onderzoek van appellant. Van angstklachten en depressieve klachten heeft appellant aan Lubberding noch aan de verzekeringsarts melding gemaakt. De in de rapportage van Lubberding benoemde persoonlijkheidsproblematiek is voor de (bezwaar)verzekeringsartsen wel aanleiding geweest beperkingen aan te nemen. Bij de opstelling van de FML is rekening gehouden met de snelle agitatie en de wantrouwende opstelling van appellant. In verband daarmee is hij niet geschikt geacht voor werk waarbij hij moet omgaan met conflicten, intensief moet samenwerken of waarin sprake is van intensief klantencontact. Voor de stelling van appellant dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat vindt de Raad in de medische gegevens die betrekking hebben op de schattingsdatum geen aanknopingspunten. Daarbij heeft de Raad ook van belang geacht dat appellant niet heeft gesteld dat zijn psychische toestand is verslechterd in de periode gelegen tussen de onderzoeken door Lubberding en de verzekeringsarts in oktober 2008 en effectuering van de schatting in juni 2009.

4.6. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat de belastbaarheid van appellant met de FML van 10 februari 2010 op juiste wijze is vastgesteld. De Raad is voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover appellant deze heeft aangevochten, zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er voor de gevraagde veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen ruimte.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR