Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10-2374 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2374 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 maart 2010, 08/1780 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 26 november 2010 een expertiserapport van psychiater A. Akdeniz ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mor-Yazir, en O. Sarikaya als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het rapport van psychiater Akdeniz. Het Uwv heeft daarop een rapport van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden, waarop appellante heeft gereageerd door het inbrengen van een reactie van psychiater Akdeniz. Vervolgens heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts ingebracht.

De door de rechtbank benoemde deskundige psychiater dr. J.W.G. Meissner heeft op verzoek van de Raad bij aanvullend rapport van 15 april 2011 de in hoger beroep ingezonden medische gegevens beoordeeld en nader van advies gediend. Partijen hebben hierop gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 9 oktober 2007 de uitkering van appellante met ingang van 26 november 2007 ingetrokken, onder de overweging dat haar mate van arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 15% was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 mei 2008 (bestreden besluit) gegrond verklaard, in zoverre dat de uitkering van appellante per 26 november 2007 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en dat eerst met ingang van 13 februari 2008 de uitkering wordt ingetrokken. Dit besluit is genomen na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en berust op het standpunt dat appellante op 13 februari 2008 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, mede gezien de bevindingen van de door haar benoemde deskundige, neergelegd in het rapport van 7 juli 2009. Voorts heeft de rechtbank de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij kan zich niet verenigen met de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige. De bevindingen van de behandelaars van appellante, psychiater F. Kaya en psycholoog drs. M. Hoen-Titiz, alsmede die van psychiater Akdeniz vormen volgens appellante reden om af te wijken van het oordeel van de deskundige. Appellante acht zich vanwege haar beperkingen niet in staat de geselecteerde functies te vervullen.

4.1. De Raad overweegt met betrekking tot de vaststelling van de psychische beperkingen van appellante als volgt.

4.2.1. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige heeft in zijn rapport van 7 juli 2009 geconcludeerd dat er op de datum in geding vanuit strikt psychiatrisch oogpunt niet of nauwelijks sprake is van enige beperking. Hij kan zich vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellante, als neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 10 augustus 2007. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellante, op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, alsmede op de informatie van de behandelende sector. De deskundige heeft op zorgvuldige wijze een onderzoek ingesteld en daarbij op inzichtelijke wijze verslag gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige begrijpelijk en overtuigend.

4.2.2. In hoger beroep is het onder rubriek I vermelde expertiserapport van psychiater Akdeniz ingebracht, waarin onder meer de conclusie is getrokken dat bij appellante sprake is van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en een depressieve stoornis. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie hierop aangegeven dat de bevindingen van psychiater Akdeniz in wezen niet afwijken van de bevindingen van de deskundige, de diverse verzekeringsartsen en de behandelende sector. Bij de weging van de symptomatologie naar een DSM-IV diagnose worden volgens de bezwaarverzekeringsarts echter andere conclusies getrokken door de deskundige en psychiater Akdeniz. De bezwaarverzekeringsarts acht dit verschil niet zozeer van belang, omdat het gaat om de vraag hoe de symptomatologie appellante beperkt in arbeid. Psychiater Akdeniz verenigt zich met de constatering van de bezwaarverzekeringsarts wat betreft de symptomatologie. Hij is echter van mening dat een verschillende diagnose wel van belang is voor de vaststelling van de beperkingen van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft op zijn beurt aangegeven dat de vaststelling van de diagnose weliswaar van belang is, maar er eveneens moet worden nagegaan welke invloed de symptomatologie heeft op het functioneren van appellante.

4.2.3. De Raad heeft aanleiding gezien om de verschillende in hoger beroep ingebrachte medische stukken, alsmede de in beroep ingebrachte brief van psychiater Kaya en psycholoog Hoen-Titiz van 24 juli 2009 en het daarop als reactie ingebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 6 augustus 2009, ter reactie voor te leggen aan de deskundige. Deze heeft hierin blijkens zijn brief van 15 april 2011 geen aanleiding gezien om terug te komen op zijn eerdere bevindingen, als neergelegd in het rapport van 7 juli 2009. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan het oordeel van de deskundige en de Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door appellante ingeschakelde medicus blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De opvatting van appellante dat de deskundige de handhaving van zijn advies onvoldoende heeft gemotiveerd, deelt de Raad derhalve niet.

4.2.4. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de door het Uwv in verband met de psychische klachten van appellante vastgestelde beperkingen niet voor onjuist kunnen worden gehouden. Met betrekking tot de door het Uwv in verband met de fysieke klachten van appellante vastgestelde beperkingen is de Raad op grond van de gedingstukken niet tot een andere conclusie kunnen komen. De Raad is dan ook van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit op goede gronden berust.

4.3. Aangezien de Raad tevens van oordeel is dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.