Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10-5738 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het ziekteverzuim excessief is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5738 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 september 2010, 10/550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Ogajensek, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011.

Namens appellante is mr. L.E.I.K. Jaminon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is in oktober 2007 uitgevallen voor haar werkzaamheden vanwege met name psychosociale problemen. Zij heeft een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

2.1. Ten einde de belastbaarheid van appellante voor arbeid vast te stellen heeft verzekeringsarts J. van der Hart appellante op 2 september 2009 onderzocht en heeft deze dossierstudie verricht. De belastbaarheid en beperkingen van appellante heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Arbeidsdeskundige R. Weerwag heeft het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en heeft appellante onder andere voor de functies productiemedewerker (sbc-code 111180), sorteerder (sbc-code 111340) en schoonmaker gebouwen (sbc-code 111334) geschikt geacht. Vervolgens heeft hij de (mediane) loonwaarde van de functies vergeleken met het loon dat appellante verdiende met haar arbeid als taxichauffeur. Het verlies aan verdiensten heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld op 1,31%, hetgeen heeft geleid tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 35%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2009 aan appellante meegedeeld dat zij per 12 oktober 2009 geen recht heeft op een WIA-uitkering, onder de overweging dat uit de rapportage van de arbeidsdeskundige blijkt dat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

2.2. Bij het besluit van 22 maart 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 oktober 2009 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 22 maart 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - gelet op alle voorhanden medische gegevens - geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Niet is gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat de geduide functies geschikt kunnen worden geacht voor appellante.

Aan de ingezonden rapporten van medisch adviseur J.F.G.M. Thissen kent de rechtbank niet de waarde toe die appellante daaraan toegekend wil zien. Thissen heeft geen eigen medisch onderzoek verricht en heeft zijn oordeel gegeven op basis van de hem toegezonden stukken en na telefonisch contact met appellante.

4. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt in essentie herhaald. In de FML van 2 september 2009 is onvoldoende rekening gehouden met haar klachten. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte meer waarde hecht aan de rapportages van de verzekeringsartsen dan aan de rapporten van Thissen. De verzekeringsarts heeft haar chronische rugklachten buiten beschouwing gelaten, heeft onvoldoende beperkingen vastgesteld als gevolg van haar hoofdpijn- en migraineklachten en had een urenbeperking moeten vaststellen vanwege deze pijnklachten, stemmingsstoornissen en slaapstoornis. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapportage overgelegd van Argonaut Advies van 23 maart 2011 die is opgesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsmogelijkheden in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB).

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraken neergelegde oordeel van de rechtbank. Forensisch geneeskundige/bedrijfsarts Thissen is uitgegaan van de klachten die appellante heeft aangegeven en heeft deze klachten onvoldoende onderbouwd met eigen onderzoek of medisch objectiveerbare gegevens van behandelaars. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding het medische onderzoek verricht door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te concluderen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante hebben onderschat.

5.3. Uit de rapportage van de verzekeringsarts van 2 september 2009 blijkt dat de verzekeringsarts de rug van appellante heeft onderzocht en dat deze geen consistent aanwezige objectieve afwijkingen heeft kunnen constateren. De door appellante aangegeven rugklachten zijn naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens. Uit de overgelegde stukken blijkt geenszins dat appellante werd behandeld voor haar rugklachten of dat medische objectiveerbare beperkingen zijn vastgesteld. De enkele melding van de huisarts van chronische rugklachten is onvoldoende om daaraan beperkingen te verbinden. Voor de vermelding in de rapportage van Argonaut Advies dat appellante heeft aangegeven soms last van haar rug te hebben geldt hetzelfde.

5.4. Ten aanzien van de hoofdpijnklachten/migraine zijn naar het oordeel van de Raad geen objectief medisch onderbouwde gegevens overgelegd over de frequentie en de duur van deze klachten. Er is dan ook onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het ziekteverzuim vanwege deze klachten zodanig excessief is dat van een werkgever tewerkstelling van appellante in redelijkheid niet kan worden verlangd of dat er aanleiding zou moeten zijn voor het vaststellen van een urenbeperking.

5.5. Ten aanzien van de rapportage van Argonaut Advies verwijst de Raad naar de reactie van bezwaarverzekeringsarts P. Tjen van 25 mei 2011. Deze heeft aangegeven dat deze rapportage niet toetsbaar is aan klinische bevindingen en beschrijvende of classificerende diagnostiek. Bij lichamelijk onderzoek zijn geen afwijkingen gevonden en het psychische onderzoek is niet beschreven. Er is geen informatie van behandelaars opgevraagd en de urenbeperking is niet gebaseerd op energetische beperkingen en preventieve aard. Daarnaast merkt de Raad op dat deze rapportage ingevolge de uitvoering van de WWB is opgesteld en dat deze wet een ander beoordelingskader heeft dan de Wet WIA. Bovendien bevat deze rapportage geen gegevens met betrekking tot de datum in geding, 12 oktober 2009.

5.6. De Raad is dan ook van oordeel dat uitgegaan moet worden van de belastbaarheid en beperkingen voor arbeid zoals deze zijn vastgesteld in de FML en ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

5.7. Ten aanzien van de geschiktheid van de functies heeft de arbeidsdeskundige de signaleringen die tot mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid kunnen leiden bij rapportage van 15 december 2009 toegelicht. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de functies medisch geschikt zijn te achten.

5.8. De Raad is gelet op hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.6 van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst.

(get.) K.E. Haan.