Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10-6964 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6964 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 november 2010, 08/2861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot, Th. van der Zwaan. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf 1996 een WAO-uitkering ontvangen. Bij besluit van 21 december 2007 heeft het Uwv deze uitkering per 22 februari 2008 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 2 april 2008 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 2 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Het standpunt van het Uwv is gebaseerd op een gedegen medisch onderzoek, waarin de door appellante overgelegde medische informatie kenbaar is betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een deskundigenonderzoek. Aangezien de bezwaarverzekeringsarts pas in beroep psychiatrisch onderzoek heeft gedaan moet het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd waarom de geduide functies voor appellante geschikt zijn.

3. In hoger beroep heeft appellante opnieuw verzocht om een onafhankelijke deskundige te raadplegen. Zij is het vertrouwen in de bezwaarverzekeringsartsen helemaal kwijtgeraakt. Er is te weinig rekening gehouden met haar medische beperkingen. Zij heeft ook bezwaar tegen de door de longarts overgelegde medische informatie.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. In hoger beroep heeft appellante geen medische informatie overgelegd die leidt tot een ander oordeel. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapporten van 26 april 2010, 6 juli 2010 en 2 mei 2011 voldoende toegelicht waarom de rapporten van de psychotherapeut J. Talma van 27 december 2008 en 30 mei 2010 niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen. De Raad voegt daaraan toe dat appellante op de datum in geding, 22 februari 2008, niet onder behandeling was van een psycholoog of psychiater. Bij de verzekeringsarts heeft zij geen psychische klachten gemeld. De verzekeringsarts heeft wel een aantal beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren in de Functionele Mogelijkhedenlijst opgenomen.

In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen reden ziet voor het raadplegen van een deskundige.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) K.E. Haan.