Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
11-1497 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Anders dan de rechtbank is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1497 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2011, 08/622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Appellant was, zoals tevoren bericht, niet vertegenwoordigd. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, [naam echtgenoot betrokkene].

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Bij besluit van 30 september 2005 is deze uitkering per 27 november 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

1.3. Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene hiertegen (opnieuw) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van appellant van 9 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 30 september 2005 herroepen. De rechtbank heeft daarbij het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige, H.J. Hoekstra, niet gevolgd omdat zijn conclusie met zodanige voorbehouden gepaard gaat dat die conclusie niet kan dienen als een onderbouwing van een stellig oordeel dat betrokkene op en na 27 november 2005 in staat was om de geduide functies te vervullen.

3.1. Appellant heeft hiertegen aangevoerd – onder overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 26 april 2011 – dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij de deskundige niet volgt. Bij twijfel omtrent het oordeel van de deskundige had de rechtbank nadere vragen kunnen stellen aan de deskundige. Voorts is er op gewezen dat er geen reden is voor een volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden en dat een volledige arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden evenmin op voorhand vast staat.

3.2. Betrokkene heeft aangegeven dat Hoekstra geen zekerheid geeft en dat dus niet op zijn conclusies mag worden afgegaan. Zij heeft er voorts op gewezen dat er geen positieve berichten over haar gezondheid zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Betrokkene is op 31 augustus 2005 bij de verzekeringsarts op het spreekuur geweest. De verzekeringsarts heeft een uitvoerige anamnese afgenomen en het dagverhaal uitgevraagd. Hij heeft als diagnose gesteld status na arthrodese L3 tot S1 1994. In zijn overwegingen geeft hij aan dat onder andere buigen en torderen gemakkelijker gaan dan bij vorige onderzoeken, betrokkene blijft voorts zonder problemen een half uur zitten. De verzekeringsarts acht zitten tot een uur mogelijk mits voldoende mogelijkheid tot verzitten en, of, kortdurend vertreden. Staan en lopen blijven sterk beperkt. Betrokkene hoefde reeds jaren geen specialist meer te raadplegen en verzorgt een gezin met drie kinderen, zij het met hulp. De verzekeringsarts kan zich dan ook niet vinden in de claim van betrokkene dat zij niets zou kunnen doen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2005 zijn de beperkingen van betrokkene aangegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene op 19 januari 2006 op de hoorzitting gezien en het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. In het rapport van 21 september 2007 is vervolgens nader beargumenteerd dat de belastbaarheid van de rug sinds een beoordeling in 2003 is toegenomen.

4.2. De rechtbank heeft als deskundige orthopedisch chirurg Hoekstra verzocht van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft op 5 oktober 2010 gerapporteerd. Hij heeft betrokkene onderzocht, een röntgenfoto van de thoracale wervelkolom van 31 oktober 2005 bestudeerd en zelf röntgenonderzoek verricht. Hij heeft aangegeven dat betrokkene rug- en nekklachten heeft op basis van het doorgemaakt hebben van meerdere hernia’s, rugoperaties en uiteindelijk een spondylodese. Deze afwijkingen legden haar beperkingen op, waarvan de exacte ernst en omvang vijf jaar na dato moeilijk bepaald kan worden. Hij kan zich verenigen met de FML van 15 september 2005 en veronderstelt dat betrokkene op 27 november 2005 in staat was 40 uur per week te werken, alhoewel er in de loop van de dag wel een toename van haar (subjectieve) klachten heeft kunnen optreden. Hij acht betrokkene in principe in staat de geduide functies te vervullen.

4.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Anders dan de rechtbank is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig. Hij heeft ook medische informatie uit 2005 bij zijn beoordeling betrokken. Zijn conclusie dat betrokkene op 27 november 2005 in staat was tot het verrichten van werkzaamheden, waarbij rekening is gehouden met de in de FML van 15 september 2005 opgenomen beperkingen, en de geduide functies kan vervullen is dan ook voldoende onderbouwd. Dat hij een voorbehoud maakt in verband met het tijdsverloop en eventuele subjectieve klachten van betrokkene maakt dit niet anders. Zijn conclusie komt overeen met hetgeen de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts rond de datum in geding hebben geconstateerd. Betrokkene heeft voorts geen medische informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor een andere conclusie. Subjectieve klachten kunnen niet leiden tot het aannemen van (meer) beperkingen.

5.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal voorts het inleidende beroep ongegrond verklaren.

5.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.G.M. van Rijnberk als leden in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) E. Heemsbergen.