Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
10-3401 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Gezamenlijke huishouding.Gezamenlijk hoofdverblijf. Wederzijdse zorg. Er bestond geen aanleiding voor het College bestond de aanvraag van appellante te toetsen aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot tijdelijke opvang in crisissituatie. Appellante heeft op haar aanvraagformulier geen melding gemaakt dat sprake was van crisisopvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3401 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 mei 2010, 09/1198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 september 2011. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 26 mei 2009 een aanvraag om bijstand ingediend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft opgegeven tijdelijk bij een vriend, [H.P.] (hierna: [H.P.]), op het adres [adres] te Groningen woonachtig te zijn en geen woonkosten te betalen. Op 2 juli 2009 is door twee medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werk een huisbezoek afgelegd op dit adres. Tijdens dit huisbezoek is geconstateerd dat appellante niet beschikt over een eigen kamer maar op een bed op de overloop slaapt. Appellante heeft aangegeven dat zij verder gebruik kan maken van de gehele woning, het huishouden voor haar rekening neemt en dat [H.P.] haar geld geeft voor boodschappen. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 juli 2009. Bij besluit van 3 juli 2009 is de aanvraag afgewezen.

1.2. Bij besluit van 5 november 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juli 2009, conform het advies van de Commissie voor bezwaarschriften sociale zaken en werk, ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [H.P.] en niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, zodat geen recht bestaat op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 november 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Door appellante wordt aangevoerd dat zij het College bij haar aanvraag om bijstand op de hoogte heeft gesteld van het tijdelijk verblijf op het adres [adres]. Er is sprake van een onzorgvuldig genomen besluit nu het College de aanvraag van appellante niet heeft getoetst aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot tijdelijke opvang in crisissituatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit bestrijkt. Dat betekent dat in dit geval de periode van 26 mei 2009 tot en met 3 juli 2009 dient te worden beoordeeld.

4.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

4.3. De Raad is van oordeel dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat aan beide criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan. De Raad stelt vast dat appellante en [H.P.] in de te beoordelen periode hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van [H.P.]. Voorts heeft het College aan hetgeen appellante tijdens het huisbezoek van 2 juli 2009 heeft verklaard, zoals onder 1.1 is weergegeven en door appellante niet wordt betwist, terecht de conclusie verbonden dat sprake is van wederzijdse zorg. Zoals de Raad al eerder heeft uitgesproken, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 7 december 2010, LJN BO6715, is de periode dat sprake is van het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf niet van belang voor de beoordeling van de vraag of voldaan is aan het vereiste van de wederzijdse zorg. Het aspect duurzaamheid is immers geen onderdeel van dit criterium. De Raad is voorts van oordeel dat er geen aanleiding voor het College bestond de aanvraag van appellante te toetsen aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot tijdelijke opvang in crisissituatie. De Raad merkt hieromtrent op dat appellante op haar aanvraagformulier geen melding heeft gemaakt dat sprake was van crisisopvang op het adres [adres] en dat de Raad overigens uit de gedingstukken niet is gebleken dat van een dergelijke situatie in de thans voorliggende periode sprake was.

4.4. Nu uit het vorenstaande volgt dat appellante ten tijde hier van belang met [H.P.] een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WWB kon zij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hieruit volgt dat het College bij besluit van 5 november 2009 de afwijzing van de aanvraag van appellante naar het oordeel van de Raad terecht heeft gehandhaafd.

4.5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2011.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.